Brahms, O Heiland, reiß die Himmel auf, op.74, 2.                                                                                                                    © Daan Admiraal, 2006

Friedrich von Spee von Langenfeld 1 (1591-1623)

 

Nederlandse vertaling

 

1. O Heiland, reiß die Himmel auf,
herab vom Himmel lauf!
Reiß ab vom Himmel Tor und Tür,
reiß ab wo Schloß und Riegel für!
O Heiland, ruk de hemel open,
daal van de hemel af!
Rijt ze uit het slot, de hemeldeuren,
ruk af waar slot en sluitbomen zijn.
 
Friedrich von Spee (1591-1623) beeldt de hemel af als een onbereikbare vesting. Wij moeten dat beeld van de hemel Christelijk interpreteren als een voor de zondige mens onbereikbaar paradijs. Het is niet alleen dichterlijke vrijheid. De dichter parafraseert namelijk de volgende bijbeltekst:
Ich will vor dir hergehen und das Bergland eben machen, ich will die ehernen Türen zerschlagen und die eisernen Riegel zerbrechen. (Jesaja 45, 2).
Alleen door tussenkomst van Christus kan de hemel voor ons geopend worden, hetgeen von Spee heeft verleid tot plastische taal: de ik-persoon smeekt de Heiland (in de gebiedende wijs!) om de hemel open te scheuren.
Het beeld van het zich openen van de hemel is al een verwijzing naar Jesaja 45, 8, waar in de tweede liedstrofe gebruik van wordt gemaakt:
Die Erde tue sich auf und bringe Heil, und Gerechtigkeit wachse mit auf!  In de Willibrord vertaling:
Aarde open uw schoot en laat het heil ontbloeien en de gerechtigheid ontkiemen eveneens.
De dichter verandert in zijn parafrase de aarde in de hemel. Het op aarde ontkiemen van de gerechtigheid wordt de heiland die naar de aarde afdaalt.
 
2. O Gott, ein' Tau vom Himmel gieß,
im Tau herab, o Heiland, fließ!
Ihr Wolken, brecht und regnet aus
den König über Jakobs Haus!
O God, giet een dauw uit de hemel
en daal in die stroom af, o Heiland
Wolken, breekt en breng als regen
de Koning over het huis van Jacob!
 
In Het Lied van Mozes in Deuteronomium 33, 2 wordt voor het eerst in de bijbel de goddelijke boodschap beschreven als regen, als dauw die neerdaalt:
Meine Lehre rinne wie der Regen, und meine Rede riesele wie Tau, wie der Regen auf das Gras und wie die Tropfen auf das Kraut.
In de Willibrord bijbel:
Mijn boodschap moet zijn als een stromende regen, mijn leer als een druppende dauw, als een regenbui op het groen, als druppels dauw op het gras.
Maar von Spee is duidelijk bij Jesaja 45, 8 2 te rade gegaan:
Träufelt, ihr Himmel, von oben, und ihr Wolken, regnet Gerechtigkeit! Die Erde tue sich auf und bringe Heil, und Gerechtigkeit wachse mit auf! 
De komst van Christus wordt vergeleken met Goddelijke dauw die uit de hemel afdaalt op aarde. De dichter heeft het oorspronkelijke onpersoonlijke
ihr Wolken, regnet Gerechtigkeit!  vervangen door het zeer persoonlijke o Heiland, fließ! en gebruikt weer de gebiedende wijs.
 
3. O Erd, schlag aus,
daß Berg und Tal grün alles werd!
O Erd, herfür dies Blümlein bring,
o Heiland, aus der Erden spring’!
O aarde, ontluik,
zodat op berg en dal alles groen wordt.
O aarde, breng dit bloemetje voort,
o Heiland, ontspruit uit de aarde.
 
De gebiedende wijs loopt als een literair thema door de eerste drie coupletten. Na de Heiland en God wordt nu ook de aarde aangesproken.
In deze twee door de dichter gebruikte profetische Jesaja-teksten is de onluikende natuur een metafoor voor de Christelijke heilsverwachting:
Es wird einst dazu kommen, daß Jakob wurzeln und Israel blühen und grünen wird, daß sie den Erdkreis mit Früchten erfüllen. (Jesaja 27, 6).
In de toekomst schiet Jakob weer wortel, Israël zal uitlopen en bloeien, zodat de hele aarde met de vruchten wordt bedekt. (Willibrord vertaling).
Und es wird ein Reis hervorgehen aus dem Stamm Isais und ein Zweig aus seiner Wurzel Frucht bringen. (Jesaja 11, 1).
Een twijg ontspruit aan de stronk van Isaï, een telg ontbloeit aan zijn wortel. (Willibrord vertaling).
Het beeld van het bloemetje verwijst naar de roos zoals we die kennen van het bekende kerstlied Es ist ein Ros / ein Reis entsprungen. De roos=Christus is een verbastering van Ein Reis (rijsje: wat oprijst, scheut, loot). De Messias ontluikt als twijgje aan de stam (=stamboom) van Isaï, de stamvader van David.  
 
4. Hier leiden wir die größte Not,
vor Augen steht der bittre Tod;
ach komm, führ uns mit starker Hand
vom Elend zu dem Vaterland!
Hier lijden wij de grootste nood,
voor onze ogen staat de bittere dood;
ach kom, leidt ons met sterke hand
uit de ellende naar het Vaderland!
 
In hoogste nood is de toon veranderd: Christus wordt smekend verzocht om ons in het aangezicht van de dood met sterke hand naar het hemelse Vaderland te leiden zoals in het bijbelboek Hebreeuwen wordt verduidelijkt:
Diese alle sind gestorben im Glauben und haben das Verheißene nicht erlangt, sondern es nur von ferne gesehen und gegrüßt und haben bekannt, daß sie Gäste und Fremdlinge auf Erden sind. Wenn sie aber solches sagen, geben sie zu verstehen, daß sie ein Vaterland suchen. Und wenn sie das Land gemeint hätten, von dem sie ausgezogen waren, hätten sie ja Zeit gehabt, wieder umzukehren. Nun aber sehnen sie sich nach einem besseren Vaterland, nämlich dem himmlischen. Darum schämt sich Gott ihrer nicht, ihr Gott zu heißen; denn er hat ihnen eine Stadt gebaut. (Hebr.11, 13-16)
In geloof zijn zij allen gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd. Wie zo spreken, geven duidelijk te kennen dat zij op zoek zijn naar een vaderland. Hadden zij heimwee gehad naar het land van hun herkomst, dan hadden zij gemakkelijk kunnen terugkeren, maar hun verlangen ging uit naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet om hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd. (Willibrord vertaling).
 
5. Da wollen wir all danken dir,
unserm Erlöser, für und für;
da wollen wir all' loben dich
je allzeit immer und ewiglich.
Amen.
Daarom wllen wij U danken,
onze verlosser, voor altijd,
daarom willen wij U lof brengen,
voor altijd en eeuwig.
Amen.
 
De cyclus wordt afgesloten met eenvoudige woorden van dank en lofprijzing. De tekst vertoont veel overeenkomst met een groot aantal psalmen.
Brahms voegde aan zijn motet een afsluitend Amen toe. Dat geeft de tekst het karakter van een gebed, maar de de componist kan ook een zuiver muzikale overweging hebben gehad: na zo'n ernstige tekst geeft het woord amen hem de gelegenheid om een jubelende afsluiting te schrijven.
 
Voetnoten.
 
1. Van de oorspronkelijke 7 coupletten van Friedrich von Spee gebruikte Brahms er 5, nl. 1, 2, 3, 4 en 7.  Deze twee liet hij weg:
 
4. Wo bleibst du, Trost der ganzen Welt,
Darauf sie all' ihr' Hoffnung stellt ?
O komm, ach komm vom höchsten Saal,
Komm tröst uns hie im Jammertal.
5. O klare Sonn', du schöner Stern,
Dich wollten wir anschauen gern.
O Sonn', geh auf, ohn' deinen Schein
In Finsternis wir alle sein.

 
2. We vinden het beeld van de Tau vom HERRN ook nog bij Micha 5, 6:
Und es werden die Übriggebliebenen aus Jakob unter vielen Völkern sein wie Tau vom HERRN, wie Regen aufs Gras, der auf niemand harrt noch auf Menschen wartet.