Brahms, Symfonie nr.2, op.73.

Inleiding voor het programmaboekje bij het concert van Symfonie Orkest Eindhoven op 24 april 2012.                                                         © Daan Admiraal

Het kostte Brahms minstens 14 jaar 1 om zijn 1e Symfonie (1876) te voltooien. Ondanks het moeizaame en langdurige scheppingsproces was men alom zeer onder de indruk van de doorwrochte motivische verwerking van de thema’s en de 'Beethoveniaanse' grote vorm. Brahms was zich tijdens het componeren van de 1e Symfonie zeer bewust van zijn historische positie als erfgenaam van Beethoven en eerste grote symfonicus na diens negen symfonieën. De vermaarde dirigent Hans von Bülow omschreef de symfonie als 'zehnte Beethoven-Sinfonie' 2.
Een jaar na die zo moeizaam tot stand gekomen 'constructivistische' 1e Symfonie ontstond tijdens een zomervakantie in Oostenrijk de 2e Symfonie (1877), in het dorpje Pörtschach aan de Wörther See in Karinthië. Een vriend 3 schreef nadat hij met Brahms de symfonie aan de piano had doorgespeeld : 'Das ist ja lauter blauer Himmel, Quellenrieseln, Sonnenschein und kühler grüner Schatten!' Geheel in die geest wordt de symfonie ook wel de 'Pastorale' genoemd, met een verwijzing naar de 6e van Beethoven.
In alle vier de delen fungeren de vele prachtige melodieën als voornaamste bouwstenen voor het geheel. Door die voortdurend aanwezige stralende lyriek en het gevoel van onbekommerde spontaniteit is de 2e Symfonie de meest zonnige van Brahms’ vier symfonieën. Dat Brahms zijn uitgever schreef 'Die neue Symphonie ist so melancholisch, dass Sie es nicht aushalten. Ich habe noch nie etwas so Trauriges, Molliges geschrieben: die Partitur muss mit Trauerrand erscheinen.' moeten we maar niet al te serieus nemen en beschouwen als een voorbeeld van Brahms' humor. Toch zit er wel degelijk op enkele momenten een duistere ondertoon in de symfonie, zoals in het eerste deel 'die grollende Pauke, die düstern, lugubren Töne der Posaunen u. Tuba.' 4 Brahms geeft voor die donkere momenten als verklaring zijn zwaar melancholieke levenshouding en zijn inzicht dat er voortdurend zwarte vlerken boven ons ruisen.5
 
De symfonie begint met een kenmerkend viermatig hoorn-thema. Het zou een alpenhoorn melodie kunnen zijn zoals Brahms die zo goed kende van zijn vele verblijven in de Zwitserse en Oostenrijkse alpen. Vele nieuwe zangerige gedachten volgen en echt contrast (afgezien van de zojuist besproken trombone schaduwen) brengt alleen een gespierd ritmisch thema in de strijkers. Aan het eind van het deel keert het beginthema terug in een lange weemoedige hoorsolo. Brahms citeert daarna uit zijn Lied Es liebt sich so lieblich im Lenze, op.71, nr.1. 6
Het tweede deel, Adagio non toppo, is het enige deel waarin de vreugdevolle grondtoon ontbreekt. Het is overwegend ernstig en beschouwelijk. Het begint met een lange weemoedige solo van de celli waarna een hele reeks van nieuwe thema's en ideeën volgt: een korte fuga en een  wiegend thema in 12/8 maat, maar ook (in de mineurtoonsoorten) een paar dramatische passages.
Het derde deel begint met een prachtige liedachtige hobo-solo in 3/4 maat met het karakter van een hoofse dans: licht verende stappen, elegant en met tedere melancholie, een romantisch menuet. Daarmee contrasterend zijn twee vlugge gedeeltes met scherzo-karakter. De geraffineerde overgangen behoren tot de wonderen van dit deel. Het eerste scherzo lijkt in te zetten in een nieuw tempo maar er is niets veranderd aan het tempo, er is slechts een verdubbeling van de ritmische beweging. En wat we dan als nieuw scherzo-thema horen is een variatie van het hobo-lied. Volledig ongemerkt keert Brahms terug van het tweede scherzo naar het lieddeel, ze vloeien op miraculeuze wijze in elkaar over. Dat is de kunst van de geleidelijke overgang waar Mahler zo van hield.
Het laatste deel begint met een geheimzinnige zachte melodie in de strijkers. Niet meteen de stralende finale want Brahms speelt hier een spel met onze verwachting door het forte uit te stellen. De reactie van het hele orkest laat niet lang op zich wachten en dan is de muziek uitgelaten vrolijk.  Dansende motiefjes en korte melodiefragmenten buitelen over elkaar heen. Als tweede thema fungeert in de strijkers een hymne-achtige melodie die in de finale glorieus zal terugkeren in het koper. In de finale moeten doet  de vreugderoes van uitgelaten stijgende en dalende toonladderfiguren ons aan Josef Haydn denken, vooral aan de finale van zijn laatste Symfonie, nr.104, de 'London'. Brahms reageerde knorrig als je als knapste jongetje van de klas hem op zo'n stijlcitaat wees. Hij reageerde ooit op zo'n opmerking met 'das hört jeder Esel'.
 
Voetnoten.
1. Brahms zelf verklaarde dat het hem van eerste schetsen tot de laatste correcties 21 jaar (van 1855 tot 1876) kostte om de symfonie te schrijven.
2. Von Bülow zag Brahms zo zeer als de voortzetter van Beethoven's 9 symfonieën dat hij de 4 Brahms symfonieën nr.10-13 noemde.
3. Theodor Billroth, November 1877.
4. Dirigent Vincenz Lachner, die de symfonie al snel na de première in Mannheim dirigeerde, was getroffen door vele details die voor hem de zorgenloze idylle verstoorden. Hij schreef Brahms: 'Warum werfen Sie in die idyllisch heitere Stimmung, mit der sich der 1. Satz einführt, die grollende Pauke, die düstern, lugubren Töne der Posaunen u. Tuba? Wäre der später nachfolgende Ernst oder vielmehr die Kraftäußerung jugendlich strotzender Männlichkeit nicht auch ohne diese Schlimmes kündenden Töne durch sich selbst motivirt ? Soll das Graziöse mit dem Starken durch Unheimliches vermittelt werden?'
5. Het antwoord van Brahms aan Lachner is bewaard gebleven. Het motet waarover hij spreekt is Warum ist das Licht gegeben dem Mühseligen, op.74,1. Hij schrijft 'dass ich sehr gewünscht u. versucht habe, in jenem ersten Satz ohne Posaunen auszukommen. Sollte ich jene Stelle vertheidigen, da müßte ich weitläufig sein. Ich müßte bekennen, dass ich nebenbei ein schwer melancholischer Mensch bin, dass schwarze Fittiche beständig über uns rauschen, dass vielleicht nicht so ganz ohne Absicht in meinen Werken auf jene Sinfonie eine kleine Abhandlung über das große ‚Warum‘ folgt. Wenn Sie die Motette nicht kennen, so schicke ich sie Ihnen. Sie wirft den nöthigen Schlagschatten auf die heit’re Sinfonie u. erklärt vielleicht jene Pauken u. Posaunen.'
6. Het kostte enig zoekwerk om het liedcitaat te vinden. In de epiloog in maat 502-505 citeert hij de laatse 2 gezongen maten van het lied: es liebt sich so lieblich im Lenze.