Debussy, Ibéria

Met Iberia wordt het Iberisch schiereiland aangeduid, Spanje en Portugal (voor de volledigheid: ook Andorra en Gibraltar). Debussy's Iberia verwijst naar Spanje. Het stuk is het middendeel van het drieluik Images pour orchestre, dat bestaat uit 1. Gigues (1912), 2. Ibéria (1908) en 3. Rondes de printemps (1909). Van de drie Images pour orchestre wordt Ibéria het meest gespeeld, met name als apart orkestwerk.
Men kan met goede argumenten beweren dat Ibéria cultuurhistorisch behoort tot de stroming van het oriëntalisme1. Parijs in het 'fin de siècle' is wel genoemd 'the capital of the Orientalist world'. De Franse en buitenlandse componisten kenden elkaar en ze speelden en becommentarieerden elkaars werken. Ibéria is een compositie die thuis hoort in een lange reeks stukken die geïnspireerd zijn op de Spaanse volksmuziek:
Bizet, Carmen (1873), Lalo, Symphonie Espagnole (1875), Saint-Saens, La jota aragonese (1881), Chabrier, España (1883), Rimski-Korsakov, Capriccio Espagnol (1887), Chabrier, Habañera (1888), Ravel, Alborada del Gracioso (1905), Albéniz, Ibéria (1906), Ravel, Rapsodie espagnole for orchestra (1907), Falla, El sombrero de tres picos (1917/19) - deze opsomming is maar een greep uit de vele overwegend 'Spaanse' orkestrale stukken. Debussy was goed bekend met España en Habañera van Chabrier en speelde bijvoorbeeld in 1894 Rimski-Korsakov's Capriccio Espagnol in de quatre-mains versie.
Manuel de Falla zei over Ibéria: Als Claude Debussy in Spanje de bron heeft gevonden voor een van de mooiste facetten van zijn werk dan heeft hij ons zo genereus terugbetaald dat Spanje nu zijn schuldenaar is.
 
 
I. Par les rues et par les chemins
Het eerste deel in ABA-vorm opent met een ritmisch refrein dat volgens de Spaanse componist Manuel de Falla gebaseerd is op het dansritme van de Sevillana:
 
Pas dan zet het hoofdthema in met zijn voor veel Spaanse melodieën kenmerkende triool (triplet turn):
Vele thema's volgen en een lange altvioolsolo leidt tot het middendeel B dat begint met een aanstekelijk dansliedje voor vier hoorns:

Het wordt door vele houtblazers exact herhaald overgenomen. Er zijn maar weinig maten waarin dit dansliedje niet aanwezig is, die voortdurende herhaling wordt in de muziek een perpetuum mobile genoemd. De driedelige vorm wordt duidelijk als de Sevillana weer inzet. Aan het einde van het deel zijn er opvallende momenten van melancholie als het hoofdthema langzaam wordt herhaald begeleid door één viool, één alt en één cello solo. Het sevillana-ritme verdwijnt in een magische fade out.

II. Les parfums de la nuit.

Dit deel heeft de meest complexe structuur van de drie Ibéria-delen. Zoals met meer werken van Debussy het geval is onttrekt dit deel zich aan elke analyse doordat de thema's voortdurend evolueren uit eerdere vormen en daardoor vloeibaar zijn en niet passen in formele vormschema's. Dit deel bevat trouwens een aantal maten die tot de ritmisch meest complexe uit het hele orkestrepertoire behoren.

Les parfums de la nuit - de geuren van de nacht. Het is natuurlijk onmogelijk om een geur in muziek uit te drukken, maar het middel dat Debussy hier aanwendt is 'partiele overeenstemming', betoverende en sensuele geuren van de nacht worden gesuggereerd door middel van een betoverende en soms sensuele orkestklank. Ook de verzadigde harmonieën werken daar aan mee. Debussy geeft in de partituur van dit deel maar op twee plaatsen een metronoomcijfer, maar de meeste uitvoeringen zijn op die plekken veel langzamer. Uit een vergelijkend tempo-onderzoekje blijkt er bij dirigenten een grote behoefte tot het kiezen van langzamere tempi dan Debussy vraagt. Celibidache is met 13'27 verreweg de traagste. Aan de andere kant van het spectrum staat een vlotte groep die voornamelijk bestaat uit dirigenten die als tijdgenoten dicht bij Debussy stonden: Pierre Monteux (1875-1964) doet er 7'10 over, Toscanini (1867-1957) net als Dorati in 7'02. Ernest Ansermet (1883-1969) is de snelste: 5'55.

III. Le matin d'un jour de fête

De titel geeft aan: Le matin d'un jour de fête, de morgen van een feestdag. Falla gaf dit deel deze omschrijving: de vreugde van dorpelingen die onderweg zijn en dansen op het geluid van guitaren een bandurria band. Maar Debussy zei zelf over Ibéria:              er is geen verhaal aan verbonden en het hangt alleen van de muziek af of die enige belangstelling bij het publiek zal opwekken.                                                                                                                                                                                                       De muziek heeft een tweedelige vorm A-B met een onbegeleide vioolsolo als duidelijk makeringspunt voor de start van B. A wordt gekenmerkt door een 4/4 maat en B door een 3/4 maat.                                                                                                         Het A-deel kun je heel goed beluisteren als een optocht van vele motiefjes en een paar belangrijke melodische thema's die maar een keer langskomen. Het eerste duidelijk herkenbare vrolijke melodietje (het komt niet meer terug) blijkt later slechts een 'foreshadow' te zijn geweest:

Dan zet het hele strijkorkest pizzicato in, de snaren worden niet gestreken maar geplukt (Debussy schrijft Quasi guitara). Er klinkt een op zich onbenullig marsmelodietje dat zijn chame ontleent aan de orkestklank:

Dan volgen de klarinetten, naar hun melodie verwees de 'foreshadow', met een baldadige uitgelatenheid:

Ook deze melodie komt niet terug. Er volgt nog een variant met de aanwijzing Rubato (gespeeld met een vrije timing) en de aanwijzing un peu moqueur - enigszins spottend:

De vioolsolo markeert het begin van deel-II in 3/4 maat en introduceert het nieuwe thema dat als een dansliedje eindeloos wordt herhaald:

De pizzicato-mars komt nog even terug als 'flashback' en goede luisteraars die het stuk kennen zullen ook flashbacks horen van deel I. Par les rues et par les chemins en deel II. Les parfums de la nuit. De sfeer is uitgelaten vrolijk.

Voetnoten.

1.

Edward Wadie Said, achternaam ook wel Saïd (Arabisch: إدوارد سعيد , Idwārd Wadīʿ Saʿīd) (Jeruzalem, 1 november 1935 – New York, 25 september 2003) was een Palestijns-Amerikaans literatuurwetenschapper en voorvechter van de Palestijnse zaak.

Edward Said definieerde Oriëntalisme in 1978 in zijn boek Orientalism. Western Conceptions of the Orient als een manier van spreken, denken en schrijven (met Foucaults term, een vertoog) dat het Westen een Ander verschaft waartegen de eigen identiteit kan worden bepaald. In deze postkoloniale studie wordt door Said gewezen op het kijken naar het Oosten door de ogen van het Westen, waarbij wordt gedacht en gevonden dat dit westerse beeld van het Oosten correct is.