Arnold Schönberg, Friede auf Erden op. 13 (1907)                      articles           home                             last update: 3 juni 2009

 

Friede auf Erden

 

Da die Hirten ihre Herde

ließen und des Engels Worte
Trugen durch die niedre Pforte
Zu der Mutter und dem Kind,
Fuhr das himmlische Gesind
Fort im Sternenraum zu singen,
Fuhr der Himmel fort zu klingen:
»Friede, Friede auf der Erde!«

Seit die Engel so geraten,
O wie viele blut’ge Taten
Hat der Streit auf wildem Pferde,
Der Geharnischte vollbracht!
In wie mancher heil’gen Nacht
Sang der Chor der Geister zagend,
Dringlich, flehend, leis verklagend:
»Friede, Friede auf der Erde!«

Doch es ist ein ew’ger Glaube,
Daß der Schwache nicht zum Raube
Jeder frechen Mordgebärde
Werde fallen alle Zeit.
Etwas wie Gerechtigkeit
Webt und wirkt in Mord und Grauen,
Und ein Reich will sich erbauen,
Das den Frieden sucht der Erde.

Mählich wird es sich gestalten,
Seines heil’gen Amtes walten,
Waffen schmieden ohne Fährde,
Flammenschwerter für das Recht,
Und ein königlich Geschlecht
Wird erblühn mit starken Söhnen,
Dessen helle Tuben dröhnen:
»Friede, Friede auf der Erde!«

                                               (1886)

 

Conrad Ferdinand Meyer (1825-1898)


 

De dichter.

Conrad Ferdinand Meyer (1825-1898) groeide op in Zürich in een gezin dat sterk geleden heeft onder een strenge Calvinistisch vroomheid. Toen zijn vader stierf toen hij veertien was zag zijn moeder dat als een vingerwijzing Gods dat zijn dood de straf was voor haar zonden. Zij probeerde haar kinderen onder dwang tot godsvruchtige wezens op te voeden en toen Conrad in plaats van rechten kunst en literatuur wilde studeren meende ze dat hij verloren was. Hij werd mensenschuw en neurotisch en bracht geruime tijd door in een zenuwinrichting. Maar genezen verklaard en terug bij zijn moeder werd hij opnieuw ziek. Toen hij 31 was pleegde zij zelfmoord, wat hij op zijn beurt als zijn schuld beschouwde. Haar dood was echter ook een bevrijding en de erfenis stelde hem in staat lange reizen naar Parijs en Rome te maken. Na zijn terugkeer in Zwitserland begon hij te schrijven. Hij werd een van de belangrijkste Zwitserse dichters uit de 19e eeuw. Zijn werk werd in het hele Duitstalige gebied bekend. Een belangrijk deel van zijn oeuvre (gedichten, ballades, novellen) behandelt personen in individuele of historische religieuze conflictsituaties (reformatie en contrareformatie, Dertigjarige Oorlog). Aan het einde van zijn leven werd hij zwaar depressief opgenomen maar door zijn vrouw naar huis gehaald en tot zijn zijn dood thuis verzorgd.

De tekst.

Het gedicht Friede auf Erden ontstond in 1886. Het gedicht werd enige tijd later door de vredesaktiviste Bertha von Suttner afgedrukt in haar krant Die Waffen nieder, met toestemming van de dichter die een aanhanger van haar vredesbeweging was. Het werd opgenomen in de bundel Gedichte von 1892 / VII. Frech und fromm en is te vinden in Hans Zeller, Alfred Zäch: Sämtliche Werke, Bd. 1. Benteli-Verlag, 1963.

 

Da die Hirten ihre Herde
ließen und des Engels Worte
Trugen durch die niedre Pforte
Zu der Mutter und dem Kind,
Fuhr das himmlische Gesind
Fort im Sternenraum zu singen,
Fuhr der Himmel fort zu klingen:
»Friede, Friede auf der Erde
Meyer begint met een beknopte nadichting van  het bekende kerstverhaal uit het Lucas-evangelie: de herders bij hun kudde, de woorden van de engel des Heren die de geboorte van Christus aankondigt, hun tocht naar Betlehem (zij verlieten daarvoor hun kuddes) en de hemelse engelenzang ‘Gloria in excelsis deo et in terra pax hominibus - vrede op aarde.’ De dichter wijkt echter vanaf het eerste couplet af van de bijbeltekst uit Lucas, waarin sprake is van vrede op aarde (Friede auf Erden): hij heeft het over vrede op de aarde (Friede auf der Erde). In het laatste couplet zal de reden daarvoor duidelijk worden.

 

Seit die Engel so geraten,
O wie viele blut’ge Taten
Hat der Streit auf wildem Pferde,
Der Geharnischte vollbracht!
In wie mancher heil’gen Nacht
Sang der Chor der Geister zagend,
Dringlich, flehend, leis verklagend:
»Friede, Friede auf der Erde!«
 
Het tweede couplet plaatst de kerstnacht in het perspectief van de bloedige menselijke geschiedenis sedertdien.
De dichter spreekt nu over een Chor der Geister: zijn dat misschien de stemmen van de oorlogsslachtoffers? Hun smekende Friede auf der Erde krijgt hier in ieder geval het karakter van een aanklacht. Het beeld van de strijd op wilden paarden is ontleend aan de Apokalyps:
En aldus zag ik in mijn visioen de paarden en hun berijders:
de ruiters hadden vuurrode, grijsblauwe en zwavelgele harnassen, … (Openb. 9, 17).
De rampspoed die deze ruiters die vele mensen doden is een straf voor hun zondige afvalligheid lezen we even later in dhetzelfde bijbelboek. 
Doch es ist ein ew’ger Glaube,
Daß der Schwache nicht zum Raube
Jeder frechen Mordgebärde
Werde fallen alle Zeit.
Etwas wie Gerechtigkeit
Webt und wirkt in Mord und Grauen,
Und ein Reich will sich erbauen,
Das den Frieden sucht der Erde.
In het derde couplet wordt het eeuwige geloof verwoord dat op den duur temidden van het moorden de gerechtigheid zal zegevieren. Met ein Reich verwijst de dichter waarschijnlijk naar het Koninkrijk Gods. In de Apokalyps staat even later:
Zij zullen priesters zijn van God en Christus, en met hem als koningen heersen, duizend jaren lang.
(Openb. 20, 6).
Mählich wird es sich gestalten,
Seines heil’gen Amtes walten,
Waffen schmieden ohne Fährde,
Flammenschwerter für das Recht,
Und ein königlich Geschlecht
Wird erblühn mit starken Söhnen,
Dessen helle Tuben dröhnen:
»Friede, Friede auf der Erde!

 

Die geleidelijk te realiseren toekomstige gerechtigheid wordt in het vierde couplet krachtig bezongen. Het beeld van Waffen schmieden ohne Fährde, Flammenschwerter für das Recht is een parafrase van de profetie van Jesaja:

2. Op het einde der dagen zal het gebeuren, …

4. Hij zal recht doen tussen de vele volken, en machtige naties tuchtigen.

Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen …                       (Jesaja 2, 2&4).

En nu komt de verklaring van het Friede auf der Erde: de dichter verbindt de kerstnacht met het Einde der Tijden uit de Apokalyps. Daar lezen we:

En Gij hebt hen voor onze God gemaakt
tot een koninklijk geslacht van priesters,
en zij zullen heersen op de aarde.
                                                             (Openb. 5, 10).
Het koninklijk geslacht van priesters wordt bijna letterlijk geciteerd: ein koniglich Geslecht en het priesterschap werd seines heil'gen Amtes. Duiden de starken Sohnen op de duurzaamheid van de vrede die dan zal ontstaan?

Ook het beeld van de helle Tuben (trompetten) die zo imposant dröhnen vinden we in de Apokalyps. Als het Lam de zeven zegels verbroken heeft komen er zeven trompetten die de zondige mens vele rampen brengen en vooruitwijzen naar het laatste oordeel. Nadat de zevende trompet geklonken heeft klinkt er:

Nu is de heerschappij over de wereld gekomen aan onze Heer en zijn Gezalfde, en hij zal als  koning heersen in de eeuwen der eeuwen.                            (Openb.15, 1).

   

 

Therese Muxeneder (© Arnold Schönberg Center) schrijft in haar toelichting op Friede auf Erden: Conrad Ferdinand Meyer’s concept of peace unites the perspectives Real and Ideal against a thoroughly secular backdrop, which in Schönberg’s setting (formally divided into ten sections) more clearly approximates the Religious. Het is in het licht van bovenstaande 'close reading' van de tekst bevreemdend te spreken van een secular backdrop, een seculiere achterliggende gedachte, zoals Therese Muxeneder doet. De gruwelijke menselijke geschiedenis wordt in het gedicht nou juist behandeld in bijbeltaal. Niet vreemd voor een dichter die in een aan godsdienstwaanzin lijdend grenzend milieu opgroeide. Het zou juist zijn te spreken over een religious backdrop.

 

Of Schönberg, die in 1898 toetrad tot de Oostenrijkse Lutherse kerk, deze tekst zo christelijk heeft verstaan is mij onbekend. Het lijkt me echter zeer waarschijnlijk: hij was een erudiet intellectueel en kende de bijbel. De Eerste Wereldoorlog beroofde Schönberg, slechts enige jaren na het ontstaan van de compositie (1907) van alle naïviteit. Hij schreef in een brief aan Hermann Scherchen die in 1923 Friede auf Erden dirigeerde:

Friede auf Erden ist eine Illusion gemischten Chor, eine Illussion, wie ich heute weiß, die ich in 1907, als ich sie komponierte, diese reine Harmonie unter Menschen für denkbar hielt und mehr als das: ohne dauerndes Beharren auf geforderter Höhe des Tones nicht geglaubt hätte existiren zu können. Seither habe ich Nachgeben lernen müssen und gelernt, daß Friede auf Erden nur möglich ist unter schärfster Bewachung der Harmonie, mit einem Wort: nicht ohne Begeleitung.

Gaat het in deze brief om ons onvermogen tot vrede, over de onuitvoerbaarheid van de compositie of over beide?