Tristan Keuris (1946-1996), Symfonie in D (1995).

1. Allegro molto
2. Molto tranquillo
3. Scherzo
4. Introduzione - Rondo finale

De muziek van Tristan Keuris heeft een origineel en herkenbaar idioom. Zijn stijl is lyrisch en expressief (vaak met een romantische crescendo-decrescendo-dynamiek), soms zeer dramatisch maar ook uitgesproken ritmisch.

In zijn melodieŽn zijn de intervallen vaak typerend voor de moderne 20e eeuwse muziek: secundes, (overmatige) kwarten en septimen en nones - een overeenkomst met het expressionisme van de tweede Weense school van SchŲnberg en Alban Berg. Maar in plaats van de vrijwel onherkenbare twaalftoonsreeksen van die dodekafonisten gebruikt Keuris toonladders met een eigen karakter en een specifieke kleur, die zowel de melodie en als ook de harmonie bepalen. Een voorbeeld van zoín reeks of modus is de door Stravinsky en Messiaen veel gebruikte oktotonische ladder, opgebouwd uit afwisselend hele en halve secundes. Bij nadere analyse blijkt dat er, zoals hij me zelf eens vertelde, in de modi van Keuris, net als bij Stravinsky, altijd een ďfoutjeĒ zit. De op deze reeksen (in India spreekt men van ragaís) gebaseerde Keuris-melodieŽn zijn vaak athematisch en onregelmatig van fraselengte. Alle banden met de Weens-klassieke periodieke melodiebouw zijn verbroken. Daardoor ademt de muziek een ongekende improvisatorische vrijheid, zoals in de muziek van Debussy.

Daan Admiraal en Tristan
Keuris

Deze foto van Marien Abspoel toont Tristan Keuris en Daan Admiraal in 1992.

Net als bij Debussy zijn bij Keuris melodie en harmonie twee aspecten van hetzelfde. Acoorden zijn als het ware melodieŽn waarvan alle noten tegelijk klinken. Zo onstaan er vaak acoorden doordat melodienoten blijven doorklinken zoals op de piano bij het gebruik van het rechter pedaal. Omdat de melodieŽn de intervallen van de 20e eeuwse muziek gebruiken zijn de acoorden afwijkend van de gebruikelijke grote en kleine drieklanken die eeuwenlang dominant waren in de Westerse muziek. Ondanks hun dissonantie zijn de samenklanken door de zorgvuldige keuze van de liggingen vaak zeer welluidend. Andersom lijkt de melodie zich soms los te maken uit de harmonie.

In ritmisch opzicht is de muziek van Keuris complex door de voortdurend wisselende patronen, maatsoorten en tempi. Tenslotte moet nog de virtuoze orkestratietechniek van Keuris vermeld worden die sterk bijdraagt aan de kleurrijke heldere klank van zijn stukken.

Keuris heeft de banden met de muzikale traditie nooit verbroken. Hij was een bewonderaar van Mahler, Webern en Stravinsky. Veel van zijn stukken dragen traditionele titels, zoals Kwartet, Sonate, Concerto, Serenade, Fantasia, Divertimento etc. Ook zijn Symfonie in D verwijst naar het verleden. De vier delen volgen het schema van de klassieke Beethoven- symfonie: Allegro-Molto tranquillo-Scherzo-Rondo finale. Opvallend is de aanduiding van de toonsoort D in de titel: Keuris heeft nooit afstand genomen van de tonaliteit. Vergeleken met een klassieke symfonie in D is de tonaliteit echter zeer vrij. De a waar het stuk mee begint is achteraf bezien de dominant - de D-majeur tonaliteit breekt pas in het laatste deel bevrijdend door in het zonnige rondothema. In het slot grijpt Keuris terug op het begin van de Symfonie, en de dominant a lost op in een Stravinskyaans closeharmony slotaccoord in D met toegevoegde resonans.

Daan Admiraal, maart 2001