Gilse, Jan van / Richard Dehmel, Eine Lebensmesse, tekst+toelichting        articles         home                      © Daan Admiraal, Heemstede, 2003-06-18    

 

Richard Dehmels tekst Eine Lebensmesse is een pathetische en visionaire verheerlijking van een dionysisch menselijk bestaan dat gedreven wordt door de biologische instincten en op zoek is naar extase.

Eine Lebensmesse staat diametraal tegenover het Christelijke beeld van het leven, waarbij de mens na het verloren paradijs tijdens zijn jammerlijke aardse leven mag hopen op het komende Rijk Gods. In Dehmels tekst ontbreekt aanvankelijk elk doelgericht toekomst-perspectief en ook de moraal: Ich weiß kein Ziel, ich will kein Wohl! zingt de tenor (Ein Held) in zijn eerste grote aria. Hier spreekt  Nietzsches ‘jenseits von Gut und Böse’.

De tekst is areligieus - de mens is niet op zoek naar God maar naar zichzelf: Denn nicht über sich, denn nicht außer sich, nur noch in sich sucht die Allmacht der Mensch, …

Met het verheerlijken van een ongeremd biologisch vitalisme wordt het gedachtegoed van de verlichting volledig verlaten. Niet meer geleid door het verstand (‘Vernunft’) maar door instinct (‘Trieb’) wordt het leven zelf plechtig gevierd, het is een ‘Feier des Lebens’, ‘Eine Lebensmesse’:

Ein Held: ich habe nur dies mein Herz im Leibe, das von jeher überschwoll, zingt de tenor die als een soort mannelijk archetype even later losbreekt uit alle conventies:

mitten durch den Erntereigen kam ein losgerissener Stier. Und da …. schlug ich dem Freund in die Fratze, stieß ich das Weibsbild weg! Und jetzt reit’ ich von Sieg zu Siegen Bahnfrei auf meinem Stier dahin, …om zonder grenzen, rijdend op zijn stier, te zegevieren.

Naast deze mannelijke adolescent zijn andere archetypen geplaatst.

Tegenover Ein Held, de wereldveroverende jonge man (de tenor), staat Eine Jungfrau, de zich overgevende jonge vrouw (de sopraan). Zij is volledig overweldigd door het voorjaar in een geparfumeerd aan Richard Strauß herinnerend orkestlied. Zij wordt door wellust bevangen, maar haar verlangen lijkt vooral gericht op vruchtbaarheid, een totaal opgaan in de levenschenkende natuur, dat is haar lenteoffer, haar Sacre du Printemps:

Aber wenn auf Frühlingswegen …Alle Kräuter mir entgegen wachsen, …Und mir geht das so zu Herzen, Daß mich meine Brüste schmerzen: Dann gerat ich außer mir! Und ich werf’ mich zum erbarmen In den rauhen Rasen hin, …

Veel explicieter is de tekst over de sexualiteit van de veroverende man, de Don Juan:

Doch immer treibt ihn Die sehnsucht nach Ruhe: Rastlos rast er von Brust zu Brust, Schooß zu Schooß, …

 

Een meer door het leven gerijpte beschouwelijke afstand en iets van waarschuwende terughoudendheid spreekt uit het Chor der Väter, die de mens zien als een wandelende (opportunistische keuzes makende) weegschaal zien: Eine wandelnde Wage ist der Mensch.

De mens die stevig in het leven staat kan kiezen: Faß festen Fuß, du hast die Macht der Wahl!  

Velen echter die zich overgeven aan het verlangen gaan uit onmacht tot het uiterste en bereiken hun doel niet. Hun mond schreeuwt om evenwicht: Und seine Zunge schreit nach Gleichgewicht.

Het Chor der Mutter begint met eenzelfde beschouwelijkheid:

Mit Schweiß und Tränen und manchen tropfen Blut

setzen wir Kinder auf diese Erde und lehren sie Vorsicht ….

maar de tekst wordt opeens hartstochtelijk als het gaat om die ene, die als een ware Phaëton (de zoon van de zonnegod die de zonnewagen van zijn vader bestuurde en verongelukte) met de blik op oneindig en verstand op nul boven de aarde heenraast zonder voorzichtig te zijn voor zichzelf en anderen:

Denn Schweiß und Tränen und alles Blut vergessen wir entzückt, wenn Einer, den Blick der Sonnen oder fernsten sternen zugewandt, über die Erde hinstürmt ohne Vorsicht,…

 

Tot zover is de tekst redelijk duidelijk. Moeilijker wordt het de dichter te volgen bij de drie (arche-)types die nu aan het woord komen, een wees en twee ervaren zonderlingen.

De wees heeft geen bindingen, zij voelt zich niet-gekend: Ich kenne Keinen, der mich will leben sehn, ich möchte weinen, aber um wen! Haar wereld is onvolledig  en staat in het teken van het gemis.

De Zwei erfahrene Sonderlinge bieden haar niet alleen troost, maar ook een keuzemodel:

Der Eine: Komm an meinen stillen See, …

Der Andre: Komm auf meinen wilden Strom!

Staat de stille See voor een introvert leven in de geest, en de wilde Strom voor het opwindende extraverte aardse leven? Let op het subtiele verschil:

Der Eine: Lächelnd gehst du unter drinnen.

Der Andre: Und so gehst du … lachend auf ins große Meer!

 

En nu blijkt plotseling dat de vier jaargetijden (als metafoor voor de menselijke levensfasen) een rol spelen in de vorm van het gedicht. Na het voorjaar, waar de Jungfrau zich wellustig aan overgaf (Aber wenn auf Frühlingswegen) brak de Held (an einem Sommertage) uit. Eine Waise vreest in de herfst (van haar leven) nog steeds zonder binding aan een persoon en een vaste plek door het leven te zwerven : Bald kommt der Herfst mit seinen Stürmen, wo werd’ich irren, wenn die winzigsten Gewürmen Heimstätten türmen?

De held komt als hij de wees en de twee zonderlingen ziet en met de winter in aantocht tot inzicht. Hij wil nu een vrouw en kinderen en zal voor haar zijn stier slachten (zijn wereldveroverende driftleven inperken): Holt mir jene Jungfrau von der Wege, en als zij er voor voelt will ich sie an mein Herz legen und ich schlacht ihr meinen Stier!  Hoeveel leuker is de avonturier dan de burgerman in de literatuur!

Dann wird ein Winter kommen, Dehmel gaat zelfs nu over tot een sentimentele kerstscène.

Kerst en Pasen: ze worden beide genoemd in het gedicht. In het voorjaarslied van de Jungfrau was sprake van ogen die in het zonlicht als Paaskaarsen straalden: wenn im Sonnenschein jedes auge Osterkerzen aus sich ausstrahlt – in dit areligieuze vruchtbaarheidsritueel gebruikt de dichter Pasen als metafoor voor nieuw leven. Ook de kerstscène is geënt op het heidense midwinterfeest van vernieuwing en nieuw voorjaarslicht.

 

Een seizoen van vier jaargetijden wordt besloten. De aandacht verschuift van de voormalige adolescenten die hun voorjaar en zomer uitgeraasd zijn naar een nieuwe generatie.

De Seele der Menschheit (in het eerste Chor der Greise was het der Allmacht der Menschheit) ligt in het kind besloten: immer wieder rührst du uns aus Kindermund.

Die kinderen worden beschreven als gemetamorfoseerde stenen. De dichter verwijst hier naar het verhaal van Deukalion en Pyrrha uit de klassieke mythologie. Zeus heeft het mensen-geslacht met een zondvloed verdelgd, alleen Deukalion en Pyrrha als onschuldigen werden in een boot gespaard. Als het water is gezakt hebben zij maar een wens: het gezelschap van andere mensen:

‘Ach, kon ik met Prometheus’ kunsten nieuwe mensen scheppen,

nieuw leven blazen in een met klei gemaakte vorm!

Nu is het mensenras alleen nog in ons beiden over

- zo wilden het  de goden - , wij alleen staan nog model…’

Zo sprak hij. Beiden huilden.                                                    Boek I, 363-367

Zij krijgen daarop (bij Ovidius van het orakel) de opdracht de botten van hun grote moeder in hun voetspoor te werpen. Deukalion doorziet de raadselachtige orakeltaal en beseft dat de grote moeder de aarde is en de botten in het lijf der moeder zijn de stenen der aarde:

 

Zij gaan dus heen, sluieren zich, knopen hun kleren los

en werpen volgens godsbevel de stenen in hun voetspoor.        Boek I, 398-399

.......

en spoedig namen de door mannenhand geworpen stenen

volgens de wil der goden ‘uiterlijk van mannen aan

en uit het werpen van de vrouw ontstonden nieuwe vrouwen.  Boek I, 411-413

Nu is alles duidelijk. Deukalion en Pyrrha huilden om hun eenzaamheid en beleven de triomf van de metamorfose van stenen in mensen, die de Godheid in zichzelf zijn:

und mit jauchzenden jammerlauten, das sich Steine verwandeln, Götter gebärst

Als de dichter tenslotte spreekt over vrome kinderen, hun frommigkeit is niet bedoeld in religieuze zin of als gehoorzaamheid: tüchtig, trefflich, tapfer en rechtschaffen zijn hun karaktereigenschappen, ook het Oud- en Middel-Nederlands kent vroom in deze betekenis[1]. Maar of de kinderen alles dapper tegemoet zullen treden en of alle kinderen het lot zullen durven te tarten? De dichter vraagt het zich af: Kinder, die sich fromm in Alles schicken, Alles, Alles, die dem schicksal gewachsen sind?!

 

© Daan Admiraal, Heemstede, 2003-06-18

 

Met dank aan:

de germanist Theo Kramer, die mij geheel belangeloos een lang college Duitse letterkunde gaf;

aan Peter Wehmeyer, die mij op het spoor van Deukalion en Pyrrha zette;

aan Hans van den Homberg die mij op de vele betekenissen van het woord fromm wees.

Ovidius, Metamorphosen, vertaald door M.d’ Hane-Scheltema.

Athenaeum-Polak&Van Gennep, Amsterdam, 1994


 

[1] Bron: o.a. Große Duden, VII, Etymologie. Ook in het Oud-Nederlands heet het : Bergen op Zoom houdt U vroom.