Rachmaninov, Dodeneiland  op. 29 (1908).

Rachmaninov's inspiratiebron voor de compositie Die Toteninsel was een zwart-wit afbeelding van het gelijknamige schilderij van Arnold Böcklin:                                                                                                                                                                         Een roeibootje nadert in de avond over een vrijwel rimpelloze zee een geheimzinnig steil rotseilandje dat met donkere cypressen ('kerkhofbomen') is begroeid. De lucht is dreigend. De roeier valt in de duisternis nauwelijks op, maar een mysterieuze gestalte gehuld in een wit gewaad licht op tegen het zwarte water en de donkere achtergrond. Achter de staande figuur, dwars op de boot, een lijkkist onder een witte doek.                                                                                                                                              Er is over Toteninsel van Böcklin, er zijn 5 versies, het nodige te vinden op internet. De Nederlandse Wikipedia-pagina Het dodeneiland geeft veel informatie en prachtige plaatjes. Rachmaninov leerde het schilderij in 1907 in Parijs kennen. Hij zag daar de vierde versie, in zwart-witte olieverf op koper. Dat beeld met zijn vele sombere grijstinten was vormde de aanleiding voor de compositie.  Toen Rachmaninov later een van de originele schilderijen in kleur zag was hij teleurgesteld. Hij zei: 'Als ik het origineel het eerst had gezien zou ik mijn Dodeneiland niet geschreven hebben. Ik vind het juist zo mooi in zwart-wit.'
Arnold Böcklin (1827-1901), Toteninsel, vierde versie, 1884, olie op koper,                                                                                                                      
81 × 151 cm, verloren gegaan tijdens een bombardement op Berlijn, WOII.
 
Ik beperk me hier tot een korte muzikale analyse.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                             De duistere grijs- en zwart-tinten van het schilderij zijn door Rachmaninov vertaald in orkestklank. Hij heeft een groot deel van het stuk in lage liggingen geschreven. Als het een Russisch koorwerk was geweest zou een groot deel van de muziek geschreven zijn voor het lage register van de alten met tenoren en diepe bassen. 

Het stuk staat in a-klein en keert aan het einde naar die hoofdtoonsoort terug. In de grote vorm is er een contrasterend middendeel in Es-groot in hoge legister. Bijzonder aan het stuk is de 5/8 maat die in zijn eindeloze herhalingen zo'n prominente muzikale factor is het muzikale geheel. Bij zo'n eindeloos herhaald spreekt men van een ostinato. Ik zou het geen thema, maar een motief willen noemen, Het zal de eerste keer dat het verschijnt 53 keer worden gespeeld:

 maar het komt ook voor in een heftige vorm, e:

Naast dit ostinato is er eigenlijk lange tijd geen duidelijk thema, de monotone herhalingen van het 5/8 motief groepering 2+3 wordt alleen soms afgewisseld door 3+2.

Klagende dalende secunde 3+2

 
Het duurt eigenlijk heel lang (25 maten) voordat we een echt thema horen:             
We kunnen in de themakop de Dies irae-melodie horen. Zoals in diverse andere composities van Rachmaninov zal het Dies irae-thema later in Dodeneiland nog een grote rol spelen. Daarin

Er volgt een herhaling het 5/8 ostinato verandert in gepuncteerde dansritmiek. Wij moeten onwillekeurig denken aan Mussorgski's Liederen en dansen van de dood:

En dan zijn daar plotseling 4 solo-violen die in een stralend C-groot en in een hemelse ligging (hoger dan sopranen kunnen zingen) met hun jubelzang. Ik zou dat het thema van het eeuwige leven zou willen noemen:

Het wordt nog 2 keer herhaald, maar steeds een toon lager, namelijk in Bes-groot en in As-groot.

Twee recitatief maten canon