Arnold Schoenberg, Begleitmusik zu einer Lichtspielszene (19291930)                                                                                2006, Daan Admiraal
 
Schoenberg schreef zijn Begleitmusik zu einer Lichtspielszene (Drohende Gefahr, Angst, Katastrophe) op. 34 in 1929/30 op verzoek van de destijds in filmmuziek gespecialiseerde Duitse muziek uitgever Heinrichshofen, die verschillende componisten had gevraagd muziek te schrijven voor een denkbeeldige, nog niet-bestaande film. Het stuk beleefde na een radiopremire onder Hans Rosbaud (Frankfurt) in 1930 onder Otto Klemperer zijn publiekspremire in de Kroll Opera in Berlijn. Het werd door het publiek naast geluiden van afkeuring overwegend positief ontvangen.
Schoenberg, die veel naar de bioscoop ging, zag de film enerzijds als een geduchte concurrent voor opera en theater maar anderzijds als een volledig nieuw en onafhankelijk medium met geheel nieuwe artistieke expressiemogelijkheden. Hij was zeer genteresseerd in de dramatische relatie tussen film en muziek. Dat was een actueel onderwerp: stomme films werden begeleid door filmorkesten en in 1927 werden de eerste geluidsfilms, met The Jazz Singer als bekendste voorbeeld, gemaakt.
Het kleine 'kamerorkest' waar hij voor schreef (fluit, hobo, 2 klarinetten, fagot, 2 hoorns, 2 trompetten, trombone, piano, slagwerk en strijkorkest) is geheel samengesteld volgens de praktijken van de filmorkesten uit de jaren '20. Het orkest wordt bij Schoenberg, mede door de compositietechniek van het twaalftoonsysteem, een instrument voor het verklanken van een huiveringwekkend psychodrama. De componist, die niet te maken had met de dwingende beperkingen van een bestaand filmscenario, voorzag de partituur van drie emotionele aanduidingen: Drohende Gefahr, Angst, Katastrophe. Vanaf het broeierige begin met de tremolo sul ponticello (bij de kam gestreken, waardoor een metalig geluid ontstaat met veel 'suspense') tot aan het uitklinken van de slotnoot is er voortdurend een onderhuidse spanning aanwezig die hallucinerende proporties aanneemt en zich in een aantal kolossale climaxen een uitweg zoekt.
 
Na de laatste climax volgt een slotadagio, een indringende strijkers epiloog  van 14 maten. Citeert Schoenberg hier Beethoven? Beethoven schreef in zijn laatste strijkkwartet de volgende teksten onder de noten:
   
Boven: Beethovens, op.135. Onder: het begin van de epiloog (maat 178) uit Schoenbergs Begleitmusik:
 
 
 
 
Beethoven beantwoordt de vraag Mu es sein? positief, in majeur: Es mu sein! Maar Schoenberg keert na deze epiloog terug naar de Angst van de ponticello-passage van het begin. In het licht van de latere gruwelen van WO-II is Begleitmusik zu einer Lichtspielszene (1930) een partituur met een visionaire kracht die vooruitwijst naar het latere korte retrospectieve meesterwerk A survivor from Warsaw (1947).
 

2006, Daan Admiraal