Wagenaar, Elverhöi Elfenheuvel op.48 (1940), een symfonisch gedicht.   Programmatoelichting voor concerten van het VU-orkest in juli 2015.            ©2015, Daan Admiraal

De componist Johan Wagenaar (1862-1941) 'is meer dan 30 jaar lang de ziel van het Utrechtse muziekleven geweest, als koordirigent, organist en pedagoog, maar niet minder als componist.' 1 Daarna was hij van 1919-1937 directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Den Haag. Mede door zijn nevenactiviteiten in vele organisaties werd hij een centrale figuur in het Nederlandse muziekleven. In 2004 verscheen er voor het eerst een gedrukte biografie van Johan Wagenaar. 2                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 Wagenaar schreef circa 20 orkestwerken waarvan de programmatische ouvertures Cyrano de Bergerac op.23 (1905) en De getemde Feeks op.25 (1909) een blijvende plaats in het Nederlandse orkestrepertoire hebben behouden. Ze hebben een kwaliteit die in het Nederlandse componeren van de eerste helft van de 20e eeuw uitzonderlijk is. De muziek is briljant en meeslepend gecomponeerd, kleurrijk geïnstrumenteerd en heeft een nog zeldzame eigenschap: het sprankelt. We herkennen vaak Hector Berlioz en vooral Richard Strauss als inspiratiebron. Door critici is opgemerkt dat die invloed 'te weinig door oorspronkelijke stijleigenschappen wordt gecompenseerd.'3 De muziek van Wagenaar mist vooral de dwingende kracht en de demonie van de beste werken van Berlioz en Strauss. Maar ook met minder urgentie dan Berlioz of Strauss is de muziek van Wagenaar bijzonder plezierig om te spelen en om te beluisteren.                                                                                                                                                                                                                                                              Wagenaar voltooide zijn laatste orkestwerk, de ouverture Elverhöi op.48, in juli 1940, enkele maanden na de Duitse inval in Nederland op 10 mei. De componist verontschuldigde zich in zijn directe omgeving voor het zo weinig tijdgebonden stuk, maar 'het was al af'. Elverhöi is volgens Wagenaar's biografie gebaseerd op 'een Deense sage'.4 De sage is, zoals alle volksverhalen, in diverse sterk verschillende varianten overgeleverd. In de biografie van Wagenaar wordt het verhaal als volgt verteld (kort samengevat):                                                                                                                                                                                                                           Elfen proberen een ridder in zijn droom te verleiden, hij verzet zich daar tegen, steeds heftiger wordt het, tot hij wordt gewekt door het kraaien van een haan (hobo's en trompetten).                                            Wat een calvinistisch thema is dat eigenlijk - een man verzet zich, nota bene in zijn droom, succesvol tegen de vrouwelijke sexuele verleiding. Laten we hem verder in deze toelichting de 'pure ridder' noemen. Wat er vooral in dit verhaal en ook de muziek ontbreekt is het echte conflict. 5                                                                                                                                                                                                                                                    Het is mogelijk om in de muziek een paar programmatische links te vinden met de Elverhöi-sage. Met die Elverhöi-sage als mogelijk verklaringsmodel kwam ik tot deze korte beschrijving van de muzikale gebeurtenissen:

Intro. Een sfeervolle langzame introductie (Andante sostenuto, 4/4) met mooie soli voor blazers: fluit, 4 hoorns, althobo - de slaap van de ridder?

Overgang. Nu volgt een overgang in sneller tempo (Doppio movimento, 6/8). De muziek heeft eerst het karakter van folkloristische dansmuziek met de melodie overwegend in de fluit, gevolgd door een gloedvolle lange melodie van de hoge strijkers - dans- en verleidingsmuziek van de elfen? De muzikale stroom wordt onverwachts onderbroken:

Twee koperaccoorden. 2 maten met een identiek C-groot accoord van 3 trompetten en 3 trombones met pauken - is dit een muzikale typering van de 'pure ridder'?

Het wordt twee keer tweematig beantwoord in 6/8 maat. (de mannelijke in 2/4 maat tegenover de vrouwelijke 6/8?)

Deel-I, 3/4. Wat nu eerst volgt is een walscyclus, gebruik makend van de bekende wals-cliché's - de verleidingsscène uit de sage? 6

Wagenaar schreef al eerder in Weense wals-stijl zijn Wiener Dreivierteltakt, op. 38 (1929). De muziek is zeer aanstekelijk. Steeds sneller en wilder wordt de walsmuziek tot opeens:

Twee koperaccoorden - de 'pure ridder' zich meldt weer. Er volgt een laatste furieuze stuiptrekking van walsthema's.

Deel-II, 2/2. Als Wagenaar het zo heeft bedacht als ik tot nu toe beschreef is in de volgende stormachtige scène in 4/4 de man en daarmee het furieuze verzet van de 'pure ridder' aan de orde. Net als in de walscyclus wordt de muziek steeds heftiger tot het kraaien van de haan. Geen ornitholoog of vogelaar en geen vakmusicus zal in de melodie van hobo's en trompetten het kraaien van een haan horen. Het moment articuleert wel de vorm. Daarom een muziekvoorbeeld:

Daarmee is abrupt de droom voorbij. Wagenaar compeneerde nog een romantische epiloog:

Slot. Gebaseerd op de muziek van de langzame inleiding, met een melodie in de violen van een intens lyrische schoonheid.

Voetnoten.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                1.  Eduard Reeser, een eeuw Nederlandse muziek 1815-1915. Querido 1986. p.166.    terug                                                                                                                                                                                                      2. Johan Wagenaar (1862-1941). Leven en werk van een veelzijdig kunstenaar. Johannes Wagenaar / Jaap van Benthem. Walburg Pers 2004. ISBN10 9057303345 / ISBN13 9789057303340  terug                                 3. Eduard Reeser, p.171.                                                                                                                                                                                                                                                                                                           4. De sage is echter in vele varianten overgeleverd, zie www.en.wikipedia.org/wiki/Elvehøj.  Elverhøj (1828) is een toneelstuk van Johan Ludvig Heiberg (1791-1860); het is een Deense klassieker: www.en.wikipedia.org/wiki/Elves%27_Hill . H.C. Andersen schreef een sprookje Elverhøj (1845). Beiden maakten gebruik van motieven uit de sage.                                                                                                                5. Men vergelijke dit met het drama van de gedoemde liefde in Wagner's Tristan und Isolde (1859). Hoe ver is dit verhaal verwijderd van Debussy's conflictloze Prélude à l'après-midi d'un faune (1894) waarin de faun zich totaal overgeeft aan zijn zwoele dromen.                                                                                                                                                                                                                                                                                    6. Wij moeten dan meteen denken aan de walsscène uit De Wonderbaarlijke Mandarijn (1926) van Bartók.