Alexander Zemlinsky (1871-1942) , Lyrische Symphonie op 18 (1923) in sieben Gesängen nach Gedichten von Rabindranath Tagore  
programmatoelichting 24-11-99&28-12-2007, © Daan Admiraal  

De joodse componist Alexander Zemlinsky (1871-1942) was een Oostenrijkse tijdgenoot van Gustav Mahler. Hij was leraar en later ook zwager van Schoenberg. Voor een aantal gerenommeerde musici, waaronder Schoenberg en Strawinski, was hij een onvergetelijke dirigent. Als componist schreef hij onder andere 11 opera’s, 3 symfonieën en een sinfonietta. Zijn leven werd getekend door kwellende onzekerheden veroorzaakt door een gebrek aan bijval voor zijn composities en met name ook door het antisemitisme in nazi-Duitsland en Oostenrijk. Zemlinsky ontvluchtte na Hitlers machtsovername Berlijn en bouwde een nieuw bestaan op in Wenen. Toen Oostenrijk werd bezet door het Duitse leger vluchtte hij in 1939 naar New York waar hij mentaal en fysiek gebroken aankwam en tot zijn dood in 1942 een zeer teruggetrokken bedlegerig bestaan leidde. 

Rabindranâth Tagore (eig. Thâkur) (1861-1941)
Indisch (Bengaals) dichter, toneel- en roman-schrijver, filosoof, schilder en musicus uit een voorname Brahmanenfamilie. Reisde de hele wereld af voor de verkondiging van zijn ideeën van mensenliefde en broederschap, en tegen rassenhaat, welke ideeën hij ook in composities en in zijn literaire werk heeft uitgewerkt. Zijn literaire werk is lyrisch, mystiek-pantheïstisch en sterk door het Europese symbolisme beinvloed. Hoofdwerken: Gitañjali (zangoffer), De Hovenier, Gave der Minnenden; drama De Brief aan de Koning; wijsgerig werk The Religion of Man. Tijdens een bezoek aan Engeland in 1912 wekte hij veel enthousiasme op bij figuren als Yeats en Pound vanwege zijn mengeling van sensualiteit en mystieke spiritualiteit. Het grootste deel van zijn werk is in het Bengali geschreven, de meeste Engelse vertalingen ervan zijn van hemzelf. Tagore kreeg in 1913 als eerste niet-Europeaan de Nobelprijs voor literatuur. In dat jaar verscheen ook The Gardener (De Hovenier), een bloemlezing in zelfgemaakte vrije vertalingen uit eigen in het Bengali geschreven gedichten. Hij werd in de jaren na W.O. I een soort cultfiguur.
In 1914 verscheen van The Gardener een uit het Engels vertaalde Duitse uitgave (Der Gärtner, Duitse tekst van Hans Effenberger). In datzelfde jaar verscheen de Nederlandse vertaling,
De hovenier, door Frederik van Eeden (1914).
 
In 1921 maakte Tagore een omvangrijke toernee door Noord en Midden-Europa. Op 21 juni 1921 bezocht Tagore de Karl Universiteit in Praag en droeg voor uit zijn eigen werk: hij declameerde en zong zijn verzen in het Bengali. De componist Leoš Janáček schreef een verslag van dat optreden dat bewaard is gebleven:
"Wij verstonden hem niet maar in de klank van zijn woorden en in zijn melodieën konden we zijn bittere zielenpijn herkennen en navoelen." Misschien was Tagores optreden de directe inspiratiebron tot het schrijven van de Lyrische Symphonie, die werd voltooid in 1923.
 
Zemlinsky koos uit Der Gärtner 7 gedichten: de nummers 5, 7, 30, 29, 48, 51 en 61). Door deze keuze en rangschikking van de 7 gedichten krijgen de gedichten een samenhang die ze in de oorspronkelijke dichtbundel niet hebben. Wij volgen in deze chronologische volgorde een gepassioneerde liefde tussen een man en een vrouw die eindigt met hun liefdevol uit elkaar gaan. De gedichten worden om beurten gezongen door de bariton en de sopraan: 1:Bar;  2:S;  3:Bar;  4:S;  5:Bar;  6:S;  7:Bar. Het vierde deel is het meest verstilde centrum van de compositie: het is een echt “Nachtstück”. Hoewel de vorm van de compositie en de teksten een dialoog suggereren tussen twee geliefden horen wij in feite een ‘monologue interieur’ aan.
Qua thematiek kun je de gedichten als volgt indelen: 1+2+3 4 5+6+7.
Lied 1, 2 en 3 gaan over het menselijk verlangen naar liefde, maar ze zijn complementair uitgewerkt.
 
...ich bin ein Wanderer in meinem Herzen.
Het eerste lied is een poëtische beschrijving van de onbestemde verlangens van de mens naar een onbereikbaar Jenseits. In de hunkerende zwerftocht van het ‘ik’ door de eigen geest lokken onmogelijke verwachtingen. Maar de menselijke geest is als een gevangene: het gevleugelde paard om mee te ontsnappen is er niet, de deuren van het huis waar het ‘ik’ woont zijn gesloten.
 
Mutter, der junge Prinz muß an unsrer Türe verbeikommen
In het tweede lied wordt het verlangen geconcretiseerd in de onbereikbare droomprins die langs het huis van het meisje voorbij rijdt met zijn paard en wagen (het eerste lied zei al dat het paard als ontsnappingsmogelijkheid niet bestaat). Zij kijkt vanuit het venster (vanuit het 'huis' van haar geest), waarvan de dichter in het eerste lied al zei dat de deuren er gesloten zijn, naar buiten. De buitenwereld is niet de realiteit, maar symbolisch voor de illusie die zij, tegen beter weten, in koestert.
 
Het derde lied is een liefdesverklaring, waarbij opvalt dat de ander een projectie is van de diepste verlangens van het zelf: het is geen dialoog, maar ‘monologue interieur’.
Ich schmücke dich und kleide dich immer
mit den Wünschen meiner Seele.
........
Du bist mein Eigen, mein Eigen.
Du die in meinen unsterblichen Träumen wohnt.

Het vierde lied is het centrale deel van de Symfonie, het 'Herzstück'. Het is een haast gedroomde liefdesontmoeting, die zwijgend wordt ondergaan in het fluisterdonker van de nacht. Het besef van de vergankelijkheid van de ontmoeting wordt zonder enig verzet vermeldt: als de dageraad aanbreekt zullen de wegen uiteengaan. Wir werden einander in die Augen schauen und jeder seines Weges ziehen.
 
Lied 5-7 staan in het teken van het afscheid.
 
Uit het vijfde lied spreekt een heftig verzet tegen het gebonden zijn aan het zinnelijk verlangen:
Befrei’ mich von den Banden deiner Süße, Lieb!
en het verlangen naar vrijheid:
Befrei’ mich von deinem Zauber
und gib mir den Mut zurück,
dir mein befreites Herz darzubieten.
 
Het zesde lied spoort aan tot vergeten en het niet vast te houden aan een ijdele droom.
Vollende denn das letzte Lied und laß uns auseinander gehn vergiß diese Nacht, wenn die Nacht um ist.

Het zevende lied verwoordt de wens om het afscheid niet als dood maar als een vervulling te beschouwen en liefdevol uit elkaar te gaan. Vooral uit de laatste regels blijkt hoe veel mooier een dichterlijk afscheid kan zijn dan de meestal weinig verheffende realiteit van de alledaagse menselijke scheidingsellende:
Ich neige mich vor dir,
ich halte meine Lampe in die Höhe,
um dir auf deinen Weg zu leuchten.
 
Duitse vertaling Der Gärtner, door Hans Effenberger, 1914
I. bariton.
Ich bin friedlos,
Ich bin durstig nach fernen Dingen.
Meine Seele schweift in Sehnsucht,
den Saum der dunklen Weite zu berühren.

O großes Jenseits,
o ungestümes Rufen deiner Flöte.
Ich vergesse, ich vergesse immer,
daß ich keine Schwingen zum Fliegen habe,
daß ich an dieses Stück Erde gefesselt bin für alle Zeit.

Ich bin voll Verlangen und wachsam;
ich bin ein Fremder in fremden Land;
dein Odem kommt zu mir und raunt mir unmögliche Hoffnungen zu.
Deine Sprache klingt meinem Herzen vertraut wie seine eig’ne.

O Ziel in Fernen, o ungestümes Rufen deiner Flöte.
Ich vergesse immer, ich vergesse,
daß ich nicht den Weg weiß,
daß ich das beschwingte Roß nicht habe.

Ich bin ruhelos, ich bin ein Wanderer in meinem Herzen.
In sonnigen Nebel der zögernden Stunden,
welch gewaltiges Gesicht von dir wird Gestalt
in der Bläue des Himmels.

O fernstes Ende, o ungestümes Rufen deiner Flöte.
Ich vergesse immer, ich vergesse immer, daß die Türen überall verschlossen sind
in dem Hause, wo ich einsam wohne.
O fernstes Ende, o ungestümes Rufen deiner Flöte.
Nederlandse vertaling De hovenier, door Frederik van Eeden, 1914
I. bariton
Ik ben rusteloos.
Mij dorst naar verre dingen.
Mijn ziel gaat uit in verlangen
om het kleed aan te raken van de schemerige verte.
 
O groot Génerzijds!
O dringende roep van Uw pijpen!
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer,
dat ik geen vleugels heb,
dat ik voor eeuwig aan deze plek gebonden ben.
 
Ik ben gretig en waakzaam,
een vreemdeling in een vreemde land.
Uw adem bereikt mij en fluistert een onmogelijke verwachting.
Uw spraak wordt door mijn hart gekend als zijn eigene.
 
O Gij, die verre te zoeken zijt, o de dringende roep van uw pijpen!
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer,
dat ik de weg niet ken,
dat ik het gevleugelde paard niet heb.
 
Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van harte.
In de zonnige nevel van de kwijnende uren,
welke van uw machtige visioenen neemt vorm aan
in het blauw des hemels?
 
O verst verwijderd Eind, o dringende roep van uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat de poorten overal gesloten zijn,
in het huis waar ik eenzaam woon,
o verst verwijderd Eind, o dringende roep van uw pijpen.
II. sopraan
Mutter, der junge Prinz muß an unsrer Türe verbeikommen
wie kann ich diesen Morgen auf meine Arbeit achtgeben?
Zeig mir, wie soll mein Haar ich flechten;
zeig mir, was soll ich für Kleider anziehen?

Warum schaust du mich so verwundert an, Mutter?
Ich weiß wohl, er wird nicht ein einzigesmal zu meinem Fenster aufblikken;
ich weiß, im Nu wird er mir aus den Augen sein;
nur das verhallende Flötenspiel wird seufzend zu mir dringen von weitem.

Aber der junge Prinz wird bei uns vorüberkommen,
und ich will mein Bestes anziehen für diesen Augenblick.

Mutter, der junge Prinz ist an unsrer Türe vorbeigekommen,
und die Morgensonne blitzte an seinem Wagen.
Ich strich den Schleier aus meinem Gesicht,
rriß die Rubinenkette von meinem Hals und warf sie ihm in den Weg.
 
Warum schaust du mich so verwundert an, Mutter?
Ich weiß wohl, daß er meine Kette nicht aufhob;
ich weiß, sie ward uner den Rädern zermalmt
und ließ eine rote Spur im Staube zurück,
und niemand weiß, was mein Geschenk war und wer es gab.

Aber der junge Prinz kam an unser Tür vorüber
und ich hab den Schmuck von meiner Brust ihm in den Weg geworfen.
II. sopraan
O moeder, de jonge Prins zal onze deur voorbij komen ...
hoe kan ik dan aan mijn werk blijven van ochtend?
Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten;
zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.
 
Waarom zie je zo verwonderd naar mij, moeder?
Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar mijn vensters;
ik weet dat hij in een oogwenk uit mijn gezicht zal zijn;
alleen de wegstervende zang van de fluit zal klagend tot mij komen van verre.
 
Maar de jonge prins zal onze deur voorbij komen
en ik zal mij voor dat ogenblik op mijn best kleden.
 
O moeder, de jonge Prins is onze deur voorbij gekomen
en de morgenzon flikkerde van zijn wagen.
Ik vaagde de sluier van mijn gelaat weg,
ik reet het robijnsnoer van mijn hals en wierp het op zijn pad.
 
Waarom zie je zo verwonderd naar mij, moeder?
Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam;
ik weet dat het verbrijzeld werd onder de wielen
en een rode vlek liet op het stof,
en niemand weet wat mijn gave was, noch voor wie.
 
Maar de jonge Prins is onze deur voorbij gekomen
en ik wierp de juwelen van mijn borst op zijn weg.
III. bariton
Du bist die Abendwolke, die am Himmel meiner Träume hinzieht.
Ich schmücke dich und kleide dich immer mit den Wünschen meiner Seele.
Du bist mein Eigen, mein Eigen. Du die in meinen endlosen Träumen wohnt.

Deine Füße sind rosigrot von dert Glut meines sehnsüchtigen Herzens.
Du, die meine Abendlieder erntet.
Deine Lippen sind bittersüß vom geschmack des Weins aus meinen Leiden.
Du bist mein Eigen, mein Eigen. Du die in meinen einsamen Träumen wohnt.

Mit dem Schatten meiner Leidenschaft hab’ ich deine Augen geschwärtzt,
gewohnter Gast in meines Blikkes Tiefe.
Ich hab dich gefangen und dich eingesponnen, Geliebte, in das Netz meiner Musik.
Du bist mein Eigen, mein Eigen. Du die in meinen unsterblichen Träumen wohnt.
III. bariton
Gij zijt de avondwolk, die aan de hemel van mijn dromen drijft.
Ik kleur u en boetseer u altijd-door met mijn liefde-verlangen.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, bewoonster van mijn eindeloze dromen.
 
Uw voeten zijn rozerood door de gloed van mijn hartsbegeren,
sprokkelaarster van mijn zangen van zonsondergang.
Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak van mijn smarte-wijn.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, bewoonster van mijn eenzame dromen.
 
Met de schaduw van mijn drift heb ik uw ogen verdonkerd,
bezitster van de diepte van mijn blik!
Ik heb u gevangen, mijn liefste, en u gewikkeld in het net van mijn muziek.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, bewoonster van mijn eenzame dromen.
IV. sopraan
Sprich zu mir, Geliebter, sag mir mit Worten, was du sangest.
Die Nacht ist dunkel, die Sterne sind in Wolken verloren.
Der Wind seufzt durch die Blätter.

Ich will mein Haar lösen, mein blauer Mantel wird dich umschmiegen wie Nacht.
Ich will deinen Kopf an meine Brust schließen
und hier in der süßen Einsamkeit laß dein Herz reden.
Ich will meine Augen zumachen und lauschen,

Ich will nicht in dein Antlitz schauen.
Wenn deine Worte zu Ende sind wollen wir still und schweigend sitzen.
Nur die Bäumen werden Dunkel flüstern.
Die Nacht wird bleichen, der Tag wird dämmern.
Wir werden einander in die Augen schauen und jeder seines Weges ziehen.
IV. sopraan
Spreek tot mij, liefste! Zeg mij in woorden wat je zong.
De nacht is donker. De sterren zijn in wolken verloren.
De wind zucht door de bladeren.
 
Ik zal mijn haar losmaken. Mijn blauwe kleed zal mij omwikkelen als de nacht.
Ik zal je hoofd aan mijn boezem klemmen,
en dan in het zoete alleen-zijn murmelen tot je hart.
Ik zal mijn ogen sluiten en luisteren.
 
Ik zal je niet in 't gelaat zien.
Als je woorden ten einde zijn, zullen wij stil en zwijgend zitten.
De bomen alleen zullen fluisteren in 't donker.
De nacht zal verbleken, de dag zal aanbreken.
We zullen in elkaars ogen zien en dan verschillende wegen gaan.
V. bariton
Befrei’ mich von den Banden deiner Süße, Lieb!
Nichts mehr von diesem Wein der Küsse,
dieser Nebel von schwerem Weihrauch erstickt mein Herz.

Öffne die Türe, mach Platz für das Morgenlicht.
Ich bin in dich verloren, eingefangen in die Umarmungen deiner Zärtlichkeit.

Befrei’ mich von deinem Zauber und gib mir den Mut zurück,
dir mein befreites Herz darzubieten.
V. bariton
Bevrijd mij van de banden van uw lieftalligheid, mijn lief!
Nu niet meer de wijn van kussen.
Deze wolk van zware wierook benauwt mijn hart.
 
Open de deuren, laat het morgenlicht binnen.
Ik ben in u verloren, verwikkeld in de plooien van uw liefkozingen.
 
Bevrijd mij van uw ban, en geef mij de mannelijkheid weer,
om u mijn vrij hart aan te bieden.
VI. Sopraan
Vollende denn das letzte Lied und laß uns auseinander gehn
vergiß diese Nacht, wenn die Nacht um ist.
Wen müh’ ich mich mit meinen Armen umfassen.
Träume lassen sich nicht einfangen,
meine gierigen Hände drücken Leere an mein Herz
und es zermürbt meine Brust.
VI. Sopraan
Voleindig het laatste lied en laat ons heengaan.
Vergeet deze nacht, als er geen nacht meer is.
Wie tracht ik in mijn armen te klemmen?
Dromen kan men niet vangen.
Mijn gretige handen drukken ijlheid aan mijn hart
en ze kwetst mijn borst.
VII. bariton
Friede, mein Herz, laß die Zeit für das Scheiden süß sein,
laß es nicht einen Tod sein, sondern Vollendung.
Laß Liebe in Erinnerung schmelzen und Schmerz in Lieder.
Laß’ die letzte Berührung deiner Hände sanft sein, wie die Blume der Nacht.
Steh still, o wundervolles Ende, für ein Augenblick
und sage deine letzten Worte in Schweigen.
Ich neige mich vor dir, ich halte meine Lampe in die Höhe,
um dir auf deinen Weg zu leuchten.
VII. bariton
Vrede, mijn hart, laat het afscheid een vriendelijk ogenblik zijn,
laat het niet zijn dood, maar voltooiïng.
Laat liefde versmelten in heugenis en smart in liederen.
Laat de laatste aanraking van uw handen zacht zijn, als de bloem van de nacht.
Sta stil, o heerlijk einde, voor een ogenblik,
en zeg uw laatste woorden in stilte.
Ik buig voor u en houd mijn lamp voor u omhoog
om u vóór te lichten op uw pad.