Bach Hohe Messe    
© Daan Admiraal. Voor deze tekst geldt copyright. Het gebruiken van deze tekst in publicaties is zonder toestemming van de auteur niet toegestaan.
 
I. Kyrie eleison
Bach gebruikt de traditionele driedelige vorm Kyrie eleison – Christe eleison – Kyrie eleison .
1. koor Kyrie eleison (b-klein) – 2. duet Christe eleison (D-groot) - 3. koor Kyrie eleison (fis-klein).
Omringd door twee koordelen in de mineur toonsoorten b-klein en fis-klein licht het Christe eleison stralend op door de solistische bezetting en de D majeur toonsoort. Opvallend in deze drie delen is de 'opstijgende tonaliteit' b – D – fis.
 
I, 1. Koor, Kyrie eleison: SSATB, fluiten, oboe d’amores, strijkers, continuo
Kyrie eleison
Heer ontferm U.
 
De Hohe Messe begint met vier onvergete-lijke maten: ze zijn niet alleen een inleiding maar meteen de 'essentie': een klemmende smeekbede om ontferming, waardoor we meteen midden in het stuk zitten.
Bachs melodie is waarschijnlijk gebaseerd op het hiernaast afgebeelde Kyrie eleison uit Luthers Deutsche Messe. .
 
In onderstaand notenvoorbeeld eerst de Kyrie-melodie van Luther en daarna van Bach.

Kyrie Eleison of Deutsche Messe

Deutsche Messe Luther, 1525/26

Na deze 'essentie' volgt een grootschalige koorfuga op misschien wel het mooiste Kyrie-thema ooit. In de klemmende opgaande chromatische lijn lijken de dalende intervallen nederigheid uit te drukken. De fuga heeft de volgende opbouw: orkestrale inleiding – koorfuga-1 – orkestraal tussenspel – koorfuga-2.

I, 2. Duet, Christe eleison: sopraan I&II, violen, continuo

Christe eleison

Christus ontferm U.

 
De duetvorm van de Christe eleison-aria is waarschijnlijk gekozen als symbool voor de eerste en de tweede persoon van de Drie-eenheid: de twee sopraanstemmen symboliseren de eenheid in verscheidenheid van God de Zoon met God de Vader. We zullen zien hoe vergelijkbare teksten op twee andere plaatsen in de Hohe Messe aanleiding waren om de duetvorm te kiezen.
De beide violengroepen spelen unisono in overwegend lage ligging. De ariatekst bestaat slechts uit de woorden Christe eleison die voortdurend herhaald worden. Toch herkennen wij de ABA-vorm van de da capo-aria. Na een inleidend orkestraal ritornello en een eerste zanggedeelte volgen in de dominanttoonsoort een tweede orkestraal ritornello met een tweede zanggedeelte. Na een beknopt B-deel waarin de solostemmen lijken te improviseren op het ritornellothema volgt als reprise alleen een afsluitend ritornello A2.
 
I, 3. Koor, Kyrie eleison: SATB, fluiten, oboe d’amores, strijkers, continuo
 
Kyrie eleison
Heer ontferm U.
 
Een vierstemmige koorfuga in 'stile antico', de oude kerkmuziekstijl van de 16e eeuwse polyfonisten: de houtblazers en de strijkers verdubbelen de koorstemmen, ze spelen colla parte. De kop van het fugathema (a) wordt gekenmerkt door het in oude stemming schrijnende interval van de verminderde terts g-eis. Bach gebruikt in de fuga nog een tweede thema (b) dat lijkt te zijn afgeleid van a.  
 
Bovenste balk:
het Kyrie-thema
van de fuga met de verminderde terts g-eis.

Onderste balk:
het daarvan afgeleide thema.
 
II. Gloria.
De Gloria-tekst bestaat uit twee delen: Gloria in excelsis Deo, de engelenzang uit Lucas 2:14 en het Laudamus, een oude hymne die al sinds vroeg-Christelijke tijden op de Gloria-tekst volgt. Als we de Laudamus-delen als afzonderlijk geheel overzien blijken de 7 afzonderlijke delen in een symmetrische structuur geordend te zijn. In die ordening staat de gekruisigde Christus centraal in het middendeel Qui tollis peccata mundi:
 
9. Koor: Qui tollis
8. Duet:  Domine Deus    10. Aria: Qui sedes
7. Koor: Gratias agimus te                                        11. Aria: Quoniam tu solus
6. Aria:  Laudamus te                                                 12. Koor: Cum Sancto spiritu

II, 4. Koor, Gloria: SSATB, trompetten, pauken, fluiten, oboe d’amores, strijkers, continuo

Gloria in excelsis Deo.

Ere zij God in de hoge.

Bach heeft geen trompetten en pauken gebruikt in het Kyrie en hun eerste inzet bewaard voor de overweldigende vreugdejubel van het hemelse engelenkoor uit de kerstnacht. De exact 100 maten waar het Gloria in excelsis Deo uit bestaat worden wel verklaard als een symbool van de volmaaktheid van de goddelijke wereld. Die honderd maten zijn natuurlijk niet met het gehoor waar te nemen.

II, 5. Koor, Et in terra pax: SSATB, trompetten, pauken, fluiten, oboe d’amores, strijkers, continuo

Gloria in excelsis Deo.
Et in terra pax
hominibus bonae voluntatis.
Ere zij God in de hoge
En vrede op aarde
voor de mensen van goede wil.

Bij et in terra pax daalt de tonaliteit van D naar G, symbolisch geduid voor de overgang van het hemelse niveau (in excelsis) naar het aardse (in terra). Dat zou ook kunnen verklaren waarom (overigens heel archaïsch) voor het hemelse bereik van het Gloria in excelsis de driedelige perfectum maatsoort en voor het aardse bereik van het et in terra pax in de tweedelige imperfectum maatsoort werd gekozen.

II, 6. Aria, Laudamus te: sopraan II, viool-solo, strijkers en continuo

Laudamus te, benedicimus te,
adoramus te, glorificamus te.
Wij loven U, wij zegenen U,
wij aanbidden U, wij verheerlijken U.

De rijk geornamenteerde vioolpartij doet soms denken aan Bachs partita’s voor vioolsolo. In de solostem is de ornamentiek beperkt tot de aanhef van de ariadelen. Vooral de parelende trillers waar de zangeres mee begint zijn opvallend en markeren ook het da capo.

II, 7. Koor, Gratias agimus te: SATB, trompetten, pauken, fluiten, oboe d’amores, strijkers, continuo

Gratias agimus tibi
propter magnam gloriam tuam.
Wij brengen u dank
om uw grote heerlijkheid.
 
Een koorfuga in 'stile antico'. Het orkest verdubbelt de koorstemmen colla parte. Er zijn twee duidelijk te onderscheiden, afwisselend gebruikte thema’s:
a. Gratias agimus tibi
b. propter magnam gloriam tuam
De koorstemmen beginnen in een lage ligging en stijgen langzaam op naar een hogere ligging. Dan bereikt Bach een geweldige slotclimax als hij de trompetten in het bovenmenselijke (voor zangers onbereikbare gebied) boven het koor uit ten hemel laat stijgen.

II, 8. Duet, Domine Deus: sopraan, tenor, fluit, strijkers, continuo

Domine Deus, Rex coelestis,
Deus Pater omnipotens,
Domine Fili unigenite, Jesu Christe.
Domine Deus, Agnus Dei,
Filius Patris.
Heer God, hemelse Koning,
God de almachtige Vader.
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus.
Heer God, Lam Gods,
Zoon van de Vader.
 
De tekst over de Vader en de Zoon was ongetwijfeld voor Bach het argument voor de duetvorm. De Vader (Domine Deus, Rex coelestis) en de Zoon (Domine Fili unigenite) worden door Bach niet na elkaar maar gelijktijdig bezongen. Omdat sopraan (de hoge stem, de hemelse Vader) en tenor (de lage stem, de Zoon op aarde) elkaar in canonvorm imiteren lijkt de muziek een uitbeelding van hun twee-eenheid in verscheidenheid. De aria heeft een lichte orkestklank. De strijkers spelen con sordino en strijkers van de continuogroep spelen pizzicato.
 
II, 9. Koor, Qui tollis peccata mundi: SSATB, fluiten, strijkers, continuo
 
Qui tollis peccata mundi,
miserere nobis.
Qui tollis peccata mundi,
suscipe deprecationem nostram.
Gij die de zonden van de wereld wegneemt,
heb medelijden met ons.
Gij die de zonden van de wereld wegneemt,
neem onze smeekbede aan. 
 
De tekst bepaalde de eenvoudige muzikale vorm van dit deel (a-a-b):
Qui tollis peccata mundi, miserere nobis. (a)
Qui tollis peccata mundi, suscipe deprecationem nostram, (a)
suscipe deprecationem nostram. (b)
Het belangrijkste muzikale affect valt op peccata: een lange noot die aanzwelt tot dissonant en dan naar beneden oplost.
 
II, 10. Aria, Qui sedes: alt, oboe d’amore en continuo
 
Qui sedes ad dexteram Patris,
miserere nobis.
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader,
heb erbarmen met ons.
 
Een aria met twee opvallende karakteristieken. In het B-deel klinkt het ritornello in de parallelle majeurtoonsoort D en is de zangtekst gereduceerd tot alleen miserere nobis. De reprise-inzet is voor de zangstem (qui sedes) en leidt tot een kort adagio op nobis. De da capovorm kan met dit overzicht gevolgd worden:
Instrumentaal ritornello (b-klein) -  Zanggedeelte: Qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis. (A-1')
Instrumentaal ritornello (fis-klein) - Zanggedeelte: Qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis. (A-1")
Instrumentaal ritornello (D-groot) - Zanggedeelte: miserere nobis. (B)
Zanggedeelte: qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis (Adagio) (A-2)
slot: instrumentaal ritornello. (A-2)
 
II, 11. Aria, Quoniam tu solus: bas, hoorn, 2 fagotten, continuo.
 
Quoniam tu solus Sanctus.
Tu solus Dominus.
Tu solus altissimus, Jesu Christe
Want alleen U bent heilig.
U alleen bent Heer,
U alleen de allerhoogste, Jezus Chistus

Wij spraken al eerder over de grote uitzonderlijkheid bij Bach van de hoorn als virtuoos obligaat instrument. Het is vanuit de hoornpartij gezien een echte bravoure-aria en we kunnen gevoeglijk aannemen dat Bach wist dat hij kon beschikken over een virtuoze hoornist toen hij deze aria schreef. De gehele instrumentatie van de aria met twee concerterende fagotten en continuo is bijzonder.

II, 12. Koor, Cum Sancto spiritu: SSATB, trompetten, pauken, fluiten, oboe d’amores, strijkers, continuo

Cum Sancto Spiritu
in gloria Dei Patris.
Amen.
Met de Heilige Geest,
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.

De vorige Aria (nr.11)  gaat zonder onderbreking over in nr.12, een sprankelend koordeel in D-groot waarin weer het gehele instrumentarium klinkt. Het deel begint als een concerto grosso met een zeer afwisselend spel van alle instrumentale groepen die volledig van het koor onafhankelijke partijen hebben. Amen. Nu volgt (m.37) een a capella-fuga met continuo. Amen. Amen. Na een intermezzo (m.64) met de omgekeerde tekstvolgorde Amen, cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris volgt een tweede koorfuga (m.80) in luisterrijke samenspraak met het orkest die met de grandeur van trompetten en pauken wordt besloten.

III. Credo.

Op het titelblad van zijn tweede map met gebundelde manuscripten schreef Bach Symbolum Nicenum. Het is een verwijzing naar het Concilie van Nicaea (325) dat de tekst van de geloofsbelijdenis (Credo) vaststelde. Geheel in de traditie van de Missa concertata is de Credo-tekst verdeeld over verschillende muzikale delen. Net als we bij het Laudamus-gedeelte van het Gloria zagen heeft Bachs negendelige Credo ook weer een symmetrische opbouw waarbij het Crucifixus het centrale middendeel vormt. Daardoor staat in het Credo de gekruisigde Christus centraal in het Crucifixus :

                                                   5. Crucifixus (koor)

4. Et incarnatus est (koor)     6.Et resurrexit (koor)

3. Et in unum Dominum (duet)                      7. Et in Spiritum Sanctum (aria)

2. Patrem omnipotentem (koor)                                           8. Confiteor unum baptisma (koor)

1. Credo in unum Deum (koor)                                            9. Et expecto resurrectionem (koor)

III, 1. Koor, Credo: SSATB, violen I&II, continuo

Credo in unum Deum.

Ik geloof in één God.

Bij meerstemmige missen was het gebruikelijk dat de priester begon met een gregoriaanse intonatie (Credo in unum Deum) waarna het koor de verdere Credo teksten zong, vanaf Patrem omnipotentem.

Bach gebruikte deze bekende gregoriaanse Credo-melodie die ook in de Lutherse kerk werd gezongen als thema voor een vijfstemmige koorfuga met een continuo-bas van doorlopende kwarten. Als alle koorstemmen zijn ingetreden is er nog een finesse. In een stralende ligging boven de hoogste koorstemmen klinkt met vroeg 17e eeuwse  Venetiaanse grandeur het Credo in de eerste en tweede violen waardoor zevenstemmigheid ontstaat.

III, 2. Koor, Patrem omnipotentem: SATB, trompetten, pauken, hobo’s, strijkers, continuo.

Credo in unum Deum,
Patrem omnipotentem,
factorum coeli et terrae,
visibilium omnium et invisibilium. 
Ik geloof in één God,
de almachtige Vader,
die hemel en aarde heeft gemaakt,
alle zichtbare en onzichtbare dingen.

Een vierstemmige koorfuga met een zeer markant thema. Bij nadere beschouwing vallen daarin alle belangrijke woorden op hun plaats. De almacht van God de Vader wordt uitgedrukt met het grote interval cis-d en vervolgens krijgen hemel en aarde met hoge en lage noten hun hiërarchie.

Opvallend is dat elke inzet van het fugathema Patrem omnipotentem indien mogelijk in de andere stemmen wordt vergezeld door de korte uitroep Credo in unum Deum. Alle nadruk ligt op het koor en de tekst doordat het orkest zich aanvankelijk beperkt tot simpele begeleidingsmotiefjes. Later sluiten de instrumenten zich bij de koorstemmen aan. Een stralende trompet voegt zijn fugastem toe boven het koor waarna met alle trompetten en pauken inzetten en het gehele ensemble de grootsheid van Gods schepping (visibilium omnium et invisibilium - alle zichtbare en onzichtbare dingen) bezingt met vocale en instrumentale pracht en praal.  
 
3. Duet, Et in unum Dominum: sopraan en alt solo, 2 oboe d’amores, strijkers, continuo.
Et in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum,
et ex Patre natum ante omnia saecula.
Deum de Deo, Lumen de Lumine,
Deum verum de Deo vero,
genitum, non factum,
consubstantialem Patri,
per quem omnia facta sunt.
Qui propter nos homines,
et propter nostram salutem
descendit de coelis.
En (ik geloof) in één Heer Jezus Christus,
eniggeboren Zoon van God,
geboren uit de Vader voor alle tijden.
God uit God, Licht uit Licht,
waarachtig God uit waarachtig God.
geboren, niet gemaakt,
één van wezen met de Vader,
door wie alles gemaakt is;
Die voor ons mensen
en voor onze redding
is neergedaald uit de hemel.

In dit duet spreekt de tekst over de Zoon, de tweede persoon van de Drie-eenheid. Ook hier is de duetvorm symbolisch net als de canontechniek: Vader en Zoon hebben dezelfde melodieën maar door de andere toonhoogte is er sprake van eenheid in verscheidenheid.

 

De staccato puntjes boven de eerste viool en het ontbreken van die puntjes boven de tweede viool in maat 1 veel besproken. Wij denken dat die puntjes ook door een praktische noodzaak ingegeven zijn. Als men ze namelijk niet speelt wordt de canon onverstaanbaar: de tweestemmigheid slibt dicht tot één melodie.

Van dit duet zijn twee versies bewaard gebleven. In de eerste versie wordt ook de tekst Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria virgine, et homo factus est gezongen. Toen Bach later een apart koordeel Et incarnatus est werd die tekst in de aria overbodig. Daarom heeft hij de ingekorte tekst opnieuw onder de noten van de aria geplaatst. Om een tekst doublure te vermijden moet aan de tweede versie de voorkeur worden gegeven.

III, 4. Koor, Et incarnatus est:  SSATB, violen I&II, continuo.

Et incarnatus est
de Spiritu Sancto ex Maria virgine,
et homo factus est.
En vlees geworden is
door de Heilige Geest uit de maagd Maria,
en mens geworden is.
Driematige instrumentale voor en tussenspelen articuleren de vorm die door de tekst is bepaald:
Et incarnatus est de Spiritu sancto ex Maria virgine, (a)
et incarnatus est de Spiritu sancto ex Maria virgine, (a)
et homo factus est. (b)
Het woord incarnatus en daarmee het beeld van het ‘indalen’ van de Heilige Geest heeft ongetwijfeld het thema van de dalende drie/vierklank-motief  van het koor en het daarvan afgeleide motief van de violen bepaald.

 

De dalende drieklank van het incarnatus en het motief van de violen met twee zogenaamde voorhoudingen dat daar een omspeling van is.

Nadat de thema van de ‘indalende’ Heilige Geest 44 maten lang eenstemmig in de violen heeft geklonken komt het eigenlijke moment van de menswording van God: et homo factus est. Vanaf het moment dat die tekst geklonken heeft klinkt het motief van de violen in drie afzonderlijke stemmen: bassen, tweede en eerste violen. Wilde Bach hiermee illustreren dat vanaf het moment dat de Heilige geest in de Zoon is geïncarneerd de Drie-eenheid is bereikt?

III, 5. Koor, Crucifixus: SATB, fluiten, strijkers, continuo

Crucifixus etiam pro nobis
sub Pontio Pilato,
passus et sepultus est.
Die ook voor ons gekruisigd is
onder Pontius Pilatus,
geleden heeft en begraven is.

Wij bespraken al eerder de centrale plaats van de gekruisigde Christus in het Credo doordat het Crucifixus als middendeel het centrum vormt. De vorm van dit deel is een passacaglia, een reeks variaties op een steeds herhaalde basmelodie. Engelse componisten uit de barok spraken wel over Variations on a ground. Boven de rituele strengheid van deze twaalf keer (sic!) herhaalde viermatige basmelodie zingt het koor zijn hoogst expressieve zinnen in een verbazingwekkende reeks schrijnende dissonanten. Zij voorzien het woord crucifixus van het affect van intense smart en zo men wil compassie. De dertiende keer is de basmelodie veranderd. Fluiten en violen zwijgen als het koor a capella in een ongelooflijke reeks duistere accoorden voor de laatste keer het et sepultus est zingt.

III, 6. Koor, Et resurrexit: SSATB, trompetten, pauken, fluiten, hobo’s, strijkers, continuo.

Et resurrexit tertia die
secundum scripturas;
et ascendit in coelum,
sedet ad dexteram Dei patris,
et iterum venturus est cum gloria
judicare vivos et mortuos,
cujus regni non erit finis.
en op de derde dag is opgestaan
zoals de Schriften het beschrijven,
en naar de hemel is gevaren,
en zit ter rechterzijde van God de Vader,
en in heerlijkheid zal terugkomen
om te oordelen de levenden en de doden,
en aan wiens rijk geen einde komt.
Na het duistere et sepultus est is de vreugdejubel van het hele ensemble over de wederopstanding van Christus een moment van overweldigende vreugde.  
Bach heeft de vier strofen in liedvorm op muziek gezet:
Et resurrexit tertia die secundum scripturas; (A1)
et ascendit in coelum, sedet ad dexteram Dei patris, (B1)
et iterum venturus est cum gloria judicare vivos et mortuos, (B2)
cujus regni non erit finis. (A2)
De teksten in A1, B1 en A2 over het hemelse domein hebben dezelfde muzikale thema’s. Een groot contrast  vormt echter de strofe et iterum venturus est over de terugkeer van Christus voor het Laatste Oordeel (B2). Bach gebruikt één individuele koorgroep, de bassen, die daardoor als het ware profetisch klinken. 
 
7. Aria, Et in Spiritum sanctum: bas, 2 oboe d’ amores, continuo
Et in Spiritum Sanctum,
Dominum et vivificantem,
qui ex Patre Filioque procedit;
qui cum Patre et Filio
simul adoratur et conglorificatur;
qui locutus est per Prophetas.
Et unam sanctam catholicam
et apostolicam ecclesiam.
En (ik geloof) in de Heilige Geest,
die Heer is en doet herleven,
die uitgaat van de Vader en de Zoon
die samen met de Vader en de Zoon aanbeden
en verheerlijkt wordt,
die gesproken heeft door de profeten.
En (ik geloof) in één heilige katholieke
en apostolische Kerk.
 
De basaria ontleent zijn lieflijke karakter aan de wiegende 6/8 maat en de innige pastorale klank van de twee oboe d’ amores. De drie textstrofen voegen zich volkomen natuurlijk in de da capo vorm.
Et in Spiritum sanctum Dominum et vivificantem Dominum, qui ex Patre Filioque procedit; (A)
qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur; qui locutus est per Prophetas. (B)
Et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam. (A)
 
III, 8. Koor, Confiteor: SATB, continuo
Confiteor unum baptisma
in remissionem peccatorum;
et expecto resurrectionem mortuorum,
Ik belijd één doop
tot vergeving van zonden.
en ik verwacht de opstanding van de doden,
Een ingenieuze compositie in 'stile antico' voor koor a capella en continuo met drie thema’s a, b en c:
Confiteor unum baptisma (a)
in remissionem peccatorum (b)
Confiteor unum baptisma in remissionem peccatorum (c).

 

Eerst klinken de thema’s a (boven) en b (onder) in aparte fugatische delen en daarna worden ze gelijktijdig gezongen in een dubbelfuga.

Dan klinkt er plotseling door dit stemmenweefsel een gregoriaanse melodie als cantus firmus, eerst in een canon van bassen en alten, later met verdubbelde notenwaarden stralend in de tenoren waardoor een soort tripelfuga ontstaat.

Nadat de fugatekst sprak over de vergeving van de zonden (remissionem peccatorum) wordt in een plotseling langzaam tempo (Adagio) opeens alle nadruk op het woord peccatorum, op de zonde zelf gelegd. In het vervolg van het korte Adagio schijnt Bach niet de opstanding (ressurectionem) maar de dood (mortuorum) te willen benadrukken. Ongetwijfeld vanuit een   theologisch inzicht maar ook om het muzikale contrast met de aansluitende vreugdejubel te maximaliseren.

III, 9. Koor, et expecto ressurectionem mortuorum: SSATB, trompetten, pauken, fluiten, hobo’s, strijkers, continuo.

et expecto resurrectionem mortuorum,
et vitam venturi seculi. Amen.
En ik verwacht de opstanding van de doden
en het leven in de komende wereld. Amen

Opstijgende grote drieklanken in koor en orkest drukken de vreugdevolle weg uit van de dood naar het eeuwige leven.

IV. Sanctus.

IV, 1. Koor, Sanctus: SSAATB, trompetten, pauken, 3 hobo’s, strijkers, continuo.
Sanctus. (heilig).
De Sanctus-tekst is afkomstig uit Jesaja 6,1-4:
In het sterfjaar van Koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels: twee om het gelaat te bedekken, twee om de voeten te bedekken , twee om te vliegen. Zij riepen elkaar toe:
Sanctus, Sanctus, Sanctus
Dominus Deus Sabaoth
Heilig, heilig, heilig
is Jahwe van de machten:
Pleni sunt caeli et terra gloria tua
Hosanna in excelsis.
Vol zijn de hemel en de aarde van Uw heerlijkheid
Hosanna in den hoge.
 
Het is een lofzang van zesvleugelige engelen op God in zijn vreesaanjagende majesteit. Ik ken geen Sactus dat die sfeer zo goed heeft getroffen.
Sanctus, Sanctus, Sanctus
Dominus Deus Sabaoth!
Heilig, heilig, heilig,
Heer der heerscharen!
Het zesstemmig vaak in twee delen gesplitste koor, de drie trompetten, de drie hobo’s, de drie hoge strijkersgroepen en de continuo-sectie zingen met elk hun eigen stemmen de lofzang in een onophoudelijke reeks triolen. Curieus in de instrumentatie van het Sanctus is derde hobo, die nergens anders in de Hohe Messe  wordt voorgeschreven. Die extra hoboist speelt alleen dit ene deel.
 
Pleni sunt coeli et terra gloria tua.
Osanna in excelsis.
Vervuld zijn hemel en aarde met uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge.
 
Het direkt op het Sanctus aansluitende Pleni sunt coeli is een briljante koorfuga. Bij het fugathema valt alles wat om tekstuitbeelding vraagt op zijn plaats: de melodielijn wijst eerst naar boven (coeli, hemel) en dan naar beneden (terra, aarde), waarop een jubelende coloratuur klinkt op gloria. Het zesmatige thema heeft in de laatste 2 maten een karakteristieke hemiool-afsluiting die de fuga een dansachtig karakter geeft.

IV, 2. Koor, Osanna: SATB-SATB, trompetten, pauken, fluiten, hobo’s, strijkers, continuo.

Osanna in excelsis.

Hosanna in de hoge.

Het Osanna-thema is sterk verwant aan het Pleni-thema. Niet alleen de tweekorigheid leidt tot een voortdurend dialoog. Ook de fluiten, hobo’s, violen, trompetten spelen met de zangers in steeds wisselende groepen het spel van het concerto grosso waarbij het aan het slot het voor het eerst klinkende instrumentale ritornello alle belangrijke thema’s nog een keer laat horen.

IV, 3. Aria, Benedictus: tenor, fluit en continuo

Benedictus qui venit in nomine Domini.

Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.

De tekst over de intocht van Jezus in Jeruzalem is afkomstig uit Mat. 21, 9.  

Omdat de partituur dat niet aangeeft is het onzeker voor welk instrument Bach deze aria schreef. Men hoort hem ook zowel voor viool als voor fluit. Zoals Bach aangeeft met Osanna repetatur wordt na de aria het Osanna herhaald.

Osanna in excelsis.

Hosanna in de hoge.

V. Agnus Dei.
De driedelige liturgische mistekst van het Agnus Dei luidt:
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, dona nobis pacem.
Bach verdeelde de liturgische tekst over 2 nummers. Hij schreef een altaria Agnus Dei met fluit en continu. Daarbij liet hij de dona nobis pacem-tekst weg uit de aria om die vervolgens te gebruiken voor het slotkoor, ongetwijfeld omdat hij zijn mis niet in kamermuziek-bezetting maar met het volledige instrumentarium van koor en orkest groots wilde besluiten.
 

V, 1. Aria, Agnus Dei: alt, violen-unisono, continuo.

Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt,
heb medelijden met ons!
De tekst van de aria is afkomstig uit Johannes 1: 29 en verwijst naar de gekruisigde Christus die als Gods lam geofferd wordt. Net als het Christe eleison is het Agnus Dei geschreven voor violen I&II unisono in lage ligging die extra donker klinken door het gebruik van de lage snaren. Hun chromatische intervallen geven de tekst een schrijnende expressie.
De aria heeft een tweedelige vorm AA. Na een eerste instrumentaal ritornello en het eerste zanggedeelte volgen een tweede ritornello en tweede zanggedeelte dat plotseling afbreekt op het woord peccata. Retorisch is dit een vraag die meteen daarna wordt bevestigd als de reprise begint met qui tollis.
 
2. Koor, Dona nobis pacem: SATB, trompetten, pauken, fluiten, hobo’s, strijkers, continuo
Dona nobis pacem.
Geef ons vrede.
Het slotkoor van de Hohe Messe is een exacte herhaling van de muziek van het Gratias  agimus tib. De nieuwe tekst Dona nobis pacem past zich geheel in de geest van de 'stile antico' aan de voor een andere tekst gebruikte noten. Het Dona nobis pacem is geen uitbundige lofzang maar een gebed om vrede dat door de luister van trompetten en pauken majesteitelijk besluit.