Bruckner, Mis nr.3 in f, versies       articles                                                                                             13-02-2013
 
De eerste uitgave van Bruckners Mis nr.3 in f die in 1894 in druk verscheen was een zwaar bewerkte versie. In die uitgave  stammen alle afwijkingen van Bruckners origineel van de hand van Bruckners leerling, de dirigent Joseph Schalk. Deze hartstochtelijke Bruckner bewonderaar was net als vele anderen de mening toegedaan dat Bruckners partituren konden worden verbeterd met coupures en een herziene instrumentatie. Bruckner was uitermate ontstemd over de veranderingen die Schalk zonder zijn toestemming in de mis had aangebracht. Daarover ontstond tussen leraar en leerling 'einen argen Zwist'.
 
Omdat het Bruckner-beeld  in de concertzaal sterk werd vertekend door gecorrumpeerde Bruckner-uitvoeringen en het muziekleven wachtte op een Urtext-editie werd in 1929 in Wenen de Internationale Brucknergesellschaft (IBG) opgericht. Die heeft Bruckners muzikale nalatenschap in een Kritische Gesamtausgabe voor de muziekpraktijk toegankelijke gemaakt. Zo kon de muziekwereld pas in 1944 kennismaken met de Mis in f zoals die Bruckner voor ogen stond in plaats van de Mis in f artificially coloured by Joseph Schalk. Het is spijtig dat de Musikwissenschaftlicher Verlag die de uitgaven van de IBG verzorgt het orkestmateriaal slechts in huur levert. De bibliotheken van de Nederlandse korenorganisaties verhuren aan hun leden wel de corrupte versies van de mis, maar kunnen helaas het Urtext-materiaal niet leveren. De enige versie waarover de Toonkunst Bibliotheek in Amsterdam beschikt is de Wöss-Fassung. Ik weet niet of Wöss gebaseerd is op Schalk, in ieder geval is Wöss onbruikbaar. Ook de Christelijke Zangersbond heeft ondeugdelijk orkestmateriaal, ik weet niet welke Fassung dat is. Het eenvoudigste identificatie-criterium voor gecorrumpeerd orkestmateriaal is simpelweg het aantal van 4 hoorns, Bruckner schreef 2 hoorns voor. Ik raad elk koorbestuur aan de muziek gewoon bij de firma Albersen in Den Haag te huren. De hogere huurprijs wordt zeker terugverdiend door de met 2 hoornsspelers te reduceren orkestbezetting!
 
De Urtext-edities.
1944                Gesamtaugabe, Robert Haas (GA,1944)
1960                Kritische Gesambtausgabe, Leopold Nowak, 1960 (KGA,1960, 2., revidierte Ausgabe)
 
Gearrangeerde edities.
1894                Mis nr.3 in  f, arr. Joseph Schalk (Schalk)
1924                Mis nr.3 in  f, neu revidiert von Josef V. Wöss (Wöss,1924), Orgel ad lib. (nach Professor S. Ochs*) 
                        Universal-Edition Nr. 2898                
 
De verschillen tussen Wöss en KGA-1960
betreffen de volgende categorieën:
1. compositie; 2. instrumentatie; 3. dynamiek; 4. articulatie; 5. tempoaanwijzingen.
In onderstaand overzicht de resultaten van een paar vergelijkende steekproeven.
1. compositie.
Wöss heeft de partituur niet alleen opnieuw geïnstrumenteerd, hij heeft ook op een aantal plaatsen Bruckners meerstemmigheid veranderd door nieuwe partijen te schrijven.
2. instrumentatie.
Bruckners origineel wordt gekenmerkt door 'klankblokken' in primaire strijkers- en blazerskleuren met typerende scherpe overgangen die werken als wisselende orgelregistraties. Wöss laat in zijn revisie van de partituur niets ongemoeid. Hij is ijverig bezig geweest door de strijkerspartijen te verdubbelen in de houtblazers de primaire kleuren te vervangen door mengklanken . Tevens wordt de scherpe omlijning van de 'klankblokken' weggewerkt door het aanbrengen van geleidelijke overgangen in de instrumentatie. Het resultaat is dat de karakteristieke Bruckner-klank wordt vervangen door een Brahms-klank veroorzaakt door de kenmerkende vrijwel permanente combinatie van strijkers, hout en hoorns. Waar Bruckner schrijft voor 2 hoorns maakt  Wöss er 4 van. Waar Bruckner wacht met de trompetklank tot de inzet van het Gloria, gebruikt Wöss ze al in het Christe eleison en het 2e Kyrie-deel. Bruckner specificeert nog uitdrukkelijk het 18e eeuwse trombonetrio: alt, tenor en bas en sluit daarbij aan bij de Weense klassieke traditie. Wöss laat het type trombone in het midden, maar dacht ongetwijfeld aan TTB.
m.25-26, Bruckner schrijft alle noten met accent en zonder bogen; Wöss verwijdert de accenten, voegt bogen toe en tevens een discutabel dynamisch voorschrift.
m.55, Wöss herschrijft de trombonepartijen ingrijpend.
Soms verandert Wöss ook de vocale partijen:
m.67, Bruckner, sopraansolo&sopranen 2 aparte stemmen; bij Wöss: geen s-solo, koor zingt solo-s-partij.
3. dynamiek.
Wöss voegt soms zeer plausibele en soms zeer aanvechtbare dynamische voorschriften toe. De huidige standaard van verantwoord muziek uitgeven is dat dergelijke arbitraire toevoegingen met haken of gestippelde lijnen worden aangeduid. Bruckner's accenten worden door Wöss verwijderd. Dat 'abmildern' van de vitaliteit van de muziek is is geheel in de geest van die tijd. Wöss doet precies hetzelfde als wat Brahms deed als redacteur bij de laat-19e eeuwse Schubert-uitgaven.
4. articulatie.
Terwijl Bruckners bogen nog een 18e eeuwse fantasie voorkeur voor afwisseling en onregelmatigheid vertonen lijdt Wöss revisie aan het gelijkheidspricipe: alle bogen worden even lang gemaakt.
5. tempoaanwijzingen.
Wöss voegt vooral tussentijdse klein- en grootschalige versnellingen en vertagingen toe, zoals 'nach und nach etwas bewegter' en ritenuto. Op zichzelf is er niets tegen dergelijke interpretatieve beslissingen, maar het is wel voor een dirigent van belang om te weten of het gaat om een Bruckner-idee of een voorstel van Wöss.
 
De conclusie van dit korte vergelijkende onderzoekje? De Wöss-Fassung is weliswaar een curieus historisch document maar moet door elke dirigent met respect voor Bruckner worden verworpen.

© Daan Admiraal