Honegger, Symphonie liturgique

 
De drie delen van de Symphonie liturgique dragen deze titels: I. Dies irae, II. De profundis clamavi en III. Dona nobis pacem. Wikipedia beweert zijn dit delen zijn uit de Requiem mis maar dat is maar voor 1/3 waar.
 
Deel 1.
Het motto van het eerste deel van de Symphonie liturgique is Dies irae. Dat zijn de eerste twee woorden maar ook de titel van de beroemde sequentia uit de Latijnse Requiem-mis, de mis der overledenen.
(= dag van toorn) zijn, in de katholieke eredienst, de beroemde eerste woorden van de sequentia uit de Latijnse mis der overledenen, waarmee ook meestal naar de gehele sequentia wordt verwezen.

De tekst, die ontstond in de 13e eeuw (? door Thomas van Celano, ± 1250), wordt beheerst door angst en huiver voor Gods laatste oordeel over de overledenen, en wordt omwille van die lugubere sfeer niet vaak meer uitgevoerd in de eigentijdse uitvaartliturgie.
Het Dies irae
Dag van toorn, o die dag
zal de wereld in de as vergaan
 
Deel 2.
In de westers katholieke traditie wordt psalm 130 De profundis clamavi met een aantal andere gebeden voor een overledene.
is in de liturgie een gebed voor de gestorvenen.een boetepsalm. In de westers katholieke traditie wordt deze psalm  wordt wel de Psalm uit de diepte genoemd.
 
De eerste strofe Uit de diepten roep ik u HEER, mijn God kunnen we als motto gebruiken
 
Martin Luther maakte een parafrase van Psalm 130 to the hymn Aus tiefer Not schrei ich zu dir, which inspired several composers, including Bach (cantatas Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir, BWV 131 and Aus tiefer Not schrei ich zu dir, BWV 38), Mendelssohn and Reger.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Deel 3.
Dona nobis pacem is een strofe uit het Agnus Dei, laatste deel van de Rooms katholieke mis. Daarin worden 3 strofen gezongen. Na het 2 keer gezongen
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, Dona eis requiem, miserere nobis heeft de 3e strofe een ander slot:
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, Dona eis requiem, dona nobis pacem.
Net als in de eerste twee delen van de symfonie moeten we deze aanduiding niet koppelen aan de katholieke mis maar als associatie die ons richting geeft bij het luisteren.

Shostakovich, bewerking voor 2 piano's Salabert 2005

Chostakovitch transcrivit pour deux pianos la SYMPHONIE LITURGIQUE d'Honegger probablement en 1947, soit peu de temps après l'achèvement de l'œuvre originale par son compositeur. Œuvre composée dans l'immédiat après-guerre, la Symphonie liturgique est une partition sombre et dramatique, dénonçant la brutalité et la barbarie des sociétés modernes mais dont l'épilogue final laisse poindre une lueur d'espoir, à travers le chant de l'oiseau.

Arthur Honegger, Halbreich, Harry. Timber Press, Incorporated, Portland, OR, U.S.A., 1999. ISBN 10: 1574670417. ISBN 13: 9781574670417.

Composed in the aftermath of World War II, it is one of Honegger's best-known works. It is in three movements, each of which (following the symphony's subtitle) is named after part of the Requiem Mass. The first movement, Dies irae, is marked allegro marcato, and has an aggressive, storm-like quality. The slow movement, De profundis clamavi, is in contrast meditative and lyrical. The finale, Dona nobis pacem, is more episodic, with an insistent, brutal marching rhythm building to a dissonant climax, before a long, lyrical coda concludes the work. A melody resembling the robin song from Jeanne d'Arc au Bûcher, can be heard towards the end of each movement.
Honegger himself wrote an extensive commentary on the work, making explicit the music's connection with the horrors of the War, and the desire for peace.[1]
Written in 1945-46 on a commission from the Foundation Pro Helvetia[2], Honegger's Third was first performed in Zürich on 17 August 1946 with Charles Münch conducting the Suisse Romande Orchestra. It has been performed and recorded many times, and was a speciality of Herbert von Karajan, who made a recording of it (with Honegger's Second Symphony) in 1969 which is still widely regarded as one of its finest interpretations.[3]
The Symphonie Liturgique has strong thematic similarities with Benjamin Britten's Sinfonia da Requiem written in 1940, although it is in no sense imitative or a reworking of the earlier piece. (Wikipedia)