Khachaturian, Violin Concerto.

In de communistische Sovjet-Unie (1922-1991) was componeren niet waardevrij, het werd vooral sinds de jaren ‘30 steeds meer een door de communistische partij / de staat gecontroleerde bezigheid. De drie volgens velen grootste componisten uit het Sowjet-tijdperk, Dmitri Shostakovich (1906-1975), Sergej Prokofiev (1891-1953) en Aram Khachaturian (1903-1978), hebben elk veel problemen gehad met het repressieve en moorddadige bewind van Josef Stalin (1878-1953). Ze hebben in hun composities soms een diepe knieval moeten maken voor het regime. Een groot dieptepunt was het eerste congres van de Unie van Sovjet Componisten (1948) waarop de leider van de Unie, Tikhon Khrennikov, vele componisten beschuldigde van ‘modernisme en burgerlijke decadentie’. De ‘elititaire en anti-socialistische’ Shostakovich, Prokofiev en Khachaturian leefden tot tot de dood van Stalin (1953) in angst en waren hun leven niet zeker. Pas in 1956, in de periode van de de-stalinisatie onder partijleider Nikita Chroesjtsjov, werd de schande van 1948 gewist en werden de componisten van alle blaam gezuiverd.
Khachaturian's vioolconcert in d (1940) is opgedragen aan de vermaarde Russische violist David Oistrakh, die solist was op de première in Moskou (1940). Het stuk heeft diverse kenmerken van de volksmuziek uit het geboorteland van Khachaturian, Armenië. Het vioolconcert is geschreven voor een symfonieorkest met een grote blazers- en slagwerk-bezetting.

Het eerste deel is geschreven in sonatevorm. Na een een korte inleiding van het orkest zet de solist in met het motorische 1e thema:
 

                  vb.1.

Snelle zestienden-passages van solist en orkest wisselen elkaar af. Dan volgt het lyrische 2e thema, de muziek is folkloristisch van toon:

 

   vb.2.

De middensectie van het eerste deel, de doorwerking, begint met de muziek van het 1e thema (vb.1), en eindigt geheel volgens de 19e eeuwse compositorische traditie met een cadens voor viool-solo.
Na de cadens zet de reprise in met de iets verkorte orkestrale inleiding. Het 2e thema is nu toebedeeld aan de solo-klarinet, met virtuoze, hoge omspelingen in de solo-viool.
 

Het landgzame tweede deel, Andante sostenuto, heeft één weemoedige hoofdmelodie:
 

De opbouw is eenvoudig te volgen. Er is één korte onstuimige interruptie van het hele orkest (let op de tamboerijn). Vlak voor het einde van het deel is er een zeer gepassioneerde tutti passage met de melodie in het hoge strijkorkest (let op de bekkens), waarna een eenvoudige dalende melodische lijn van de solist, die wordt overgenomen door fluit, fagot en harp, het deel verstild afsluit.

Het derde deel is een zeer vrolijk dansdeel in rondo-vorm, met zoals dat hoort bij een rondo, een hoofdthema dat veel terugkeert:

 

Er zijn diverse neventhema’s, maar alles is zeer overzichtelijk, en het deel eindigt na een kort duel tussen solist en orkest met een aanstekelijke herhaling (23 keer, met veel slagwerk), van die ene toon bepalend is voor de toonsoort van het concert: de d.