Zoltán Kodály (1882-1967), Psalmus Hungaricus, een korte inleiding.   home    Hongaarse uitspraak                                               © 2011, Daan Admiraal
 
Psalmus Hungaricus (1923) werd gecomponeerd ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Hongaarse hoofdstad Boedapest, die in 1873 was ontstaan door het samenvoegen van de steden Boeda en Óbuda op de rechteroever van de Donau met Pest op de linkeroever. Bij de premičre stond het stuk nog als 'Psalm 55' op het programma, zoals bij psalmcomposities gebruikelijk, maar Kodály veranderde de titel meteen daarna in 'Hongaarse Psalm'. Het stuk maakte in de jaren '20 een zegetocht over de hele wereld. Kodály dirigeerde het stuk met zeer veel succes in 1927 drie keer in Amsterdam. In datzelfde jaar dirigeerde Mengelberg de Amerikaanse premičre in New York.
 
De tekst Mikoron Dávid van Psalmus Hungaricus is een 16e eeuwse nadichting van psalm 55. De beginletters van de 22 coupletten van het gedicht vormen een acrostichon 1 waardoor we de naam van de dichter kennen: 
 
                                                       MICHAEL UEG KECsKEMETI AHS
 
Dat betekent: Mihály Vég, woonachtig (of geboren) in Kecskemet AHS. Naar de betekenis van de laatste drie letters AHS moet men gissen. Het zou kunnen zijn: 'alumnus Hungariae scripsit'  (een Hongaarse (oud)-student schreef dit) of  'auctor huis scripturae'  (auteur van dit schrijven). De tekst duikt voor het eerst in een handschrift uit 1569 op en vond meer algemene verbreiding via een kerkelijk liedboek uit 1620. Maar wie exact deze 16e eeuwse tekstdichter Mihály Vég is geweest valt niet met zekerheid te zeggen. Zijn psalm-parafrase Mikoron Dávid nagy búsultában is het enige dat van hem bewaard is gebleven.
 
Waarschijnlijk hebben vele Hongaren al in de 16e en 17e eeuw in deze tekst hun eigen ellende herkend - een tekst die voortdurend spreekt over een groot en bitter lijden, vervolging en onderdrukking, vijandschap en verraden vriendschappen. Het was overigens niet ongwoon dat 16e eeuwse Hongaarse psalmisten de oude klaagpsalmen verbonden met het eigentijdse lijden van hun volk. Zoltán Kodály heeft in ieder geval de tekst beschouwd als een felle aanklacht tegen de onderdrukte Hongaarse identiteit, vandaar de titelwijziging:  Psalmus Hungaricus. Om de patriottische betekenis van het stuk beter te kunnen plaatsen even een korte geschiedenis van de onderdrukte Hongaren. Het Hongaarse koninkrijk viel in 1301 in handen van de Oostenrijkse Habsburgers, waarna vanaf 1526 de Turkse bezetting volgde (het Ottomaanse rijk), waarop na het beroemde Beleg van Wenen (1683) Hongarije weer in Habsburgse handen kwam en om pas in 1867 een min of meer gelijkwaardige status te krijgen in Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Oostenrijk-Hongarije werd na WO-I opgedeeld waarbij Hongarije in 1920 maar 29% van zijn gebied overhield.
Daarna stond het Hongaarse volk nog veel ellende te wachten: van 1920 tot 1944 regeerde het autoritaire Horthy-bewind, dat aansluiting zocht met nazi-Duitsland.
Aan het einde van WO-II werd Hongarije door de Sowjet-Unie bevrijd maar ook bezet en gedwongen lid van het Oostblok. De Hongaarse opstand van 1956 werd bloedig neergeslagen. In 1989 werd de communistische volksrepubliek ontbonden en de Republiek Hongarije gesticht die in 1990 de eerste vrije verkiezingen organiseerde.
 
De 83 jarige Kodály schreef in 1965, negen jaar na de Hongaarse opstand, na een uitvoering van de Psalmus de onderstaande tekst in het persoonlijk gedenkboek van een vriend: 'Toen koning David gebukt ging onder zwaar leed en niet wist wat hij moest doen, vloekte hij grimmig in het jaar 1923. En op 30 oktober 1965 weer.'
   
 
In Psalmus Hungaricus is alle muziek afgeleid van één melodie van Kodály zelf, hierna genoemd het koraalthema:
 
In dit koraalthema heeft Kodály op dezelfde wijze als dat in de literatuur gebeurt een muzikaal acrostichon in de noten verborgen: de 8 omkaderde beginnoten van de 8 opeenvolgende koraalmaten vormen samen de gregoriaanse melodie Lauda Sion Salvatorem!
 
   
                                                                Lau - da      Si  - on     Sal - va - to - rem
 
In een grote rondovorm wordt dit koraalthema in vijf coupletten gezongen als een terugkerend refrein. Maar ook de orkestrale inleiding en de muziek van de 12 overige coupletten zijn afgeleid van het koraalthema. Ieder volgend couplet gekenmerkt door voortdurend  nieuwe ritmische en melodische varianten, waarbij Kodály bewust gebruik maakt van hetzelfde oosterse variatieprincipe dat ook ten grondslag ligt aan de Hongaarse volksmuziek 2.
 
Psalmus Hungaricus is een compositie met vele betekenislagen. Het is primair een warmbloedige toonzetting van psalm 55, overigens zonder enige associatie met kerkmuziek. Het was in 1923 vernieuwende moderne Hongaarse muziek die sindsdien niets van zijn overrompelende jeugdige frisheid verloren heeft.
De hierboven besproken koraalmelodie werd in 1948 opgenomen in het Liedboek van de Gereformeerde Kerken van Hongarije. Als dank voor die eer voorzag Kodály de melodie van een orgelbegeleiding die in 1959 in het Koraalboek van de Gereformeerde Kerk 3 verscheen.
Maar het stuk is natuurlijk vooral een hartstochtelijk pleidooi in tekst en muziek voor de Hongaarse nationale en muzikale identiteit. Maar het ontstijgt elk bekrompen patriottisme. Omdat het gaat om het universele thema van vrijheid versus onderdrukking en de muziek zo'n overrompelende emotionaliteit heeft behoort Psalmus Hungaricus tot de muzikale wereldliteratuur.
 
De 22 letters van de naam van de tekstdichter: MICHAEL UEG KEGsKEMETI AHS vormen de beginletters van de 22 coupletten (I-XXII) van zijn oorspronkelijke gedicht. De cijfers 1-17 bij de Hongaarse tekst verwijzen naar de 17 door Kodály gebruikte coupletten.
M
 
(I)
Koor
 1. Mikoron Dávid nagy búsultában
Barátimiatt volna bánatban
Panaszolkodván nagy haragjában
Ilylyen könyörgést kezde ö magában:
Koor
1. Toen Koning David gebukt ging onder zwaar leed
en zelfs door zijn vrienden op wrede wijze in het nauw werd gebracht,
uitte hij zijn diepe smart
en verhief zijn stem tot God:
I
 
(II)
Tenorsolo
2. Istenem Uram, kérlek tégedet,                                    (m.31)
Fordítsad reám szent szemeidet,
Nagy szükségemben ne hagyj engemet,
Mert megemészti nagy bánat szívemet.  
Tenorsolo
2. Eeuwige Vader, hoor mij aan,
Zie op mij neer, mijn God,
verlaat mij niet in mijn leed.
Ik ween en ik klaag, dagen en nachten.
C
(III)
 
3. Csak sívok, rívok nagy nyavalyámban,                        (m.41)
Elfogyatkoztam gondolatimban,
Megkeseredtem nagy búsúltomban,
Ellenségemre való haragomban.
3. Droef is mijn ziel,
uitgeput mijn krachten,
Zwaar is mijn hart van bittere droefenis,
Vertoornd in hoge mate over mijn vijanden.
H
(IV)
 
4. Hogyha énnékem szárnyam lett volna,                         (m.68)
Mint az galamb, elröpültem volna, 
Hogyha az Isten engedte volna,
Innét én régen elfutottam volna.
4. Had de Heer mij vleugels gegeven,
gelijk een duif,
Dan was ik reeds lang ontvloden
naar verre, verre landen.
A
(V)
 
5. Akarok inkább pusztában laknom,                              (m.74)
Vadon erdöben széjjelbujdosnom,
Hogynem mint azok között lakoznom,
Kik igazságot nem hagynak szólanom.
5. Liever zou ik de woestijn bewonen,
dwalen in eenzame duistere wouden,
Dan blijven te midden van hen,
die mij verbieden de waarheid te verkondigen.
(I)
Koor
Mikoron Dávid nagy búsultában,
Baráti miatt volna bánatban,
Panaszolkodván nagy haragjában,
Illyen könyörgést kezde ö magában.
Koor
Toen Koning David gebukt ging onder zwaar leed
en zelfs door zijn vrienden op wrede wijze in het nauw werd gebracht, uitte hij zijn diepe smart
en verhief zijn stem tot God:
E
(VI
 
6. Éjjel és nappal azon forgódnak,                                   (m.96)
Engem mi módon megfoghassanak.
Beszédem miatt vádolhassanak,
Hogy fogságomon ök vigadhassanak.
6. Listig beramen zij boze plannen,
vol laster en verraad om mij in hun strikken te vangen
en luid zich te verheugen
over mijn gevangenschap.
L
(VII)
 
Látod jól uram álnok szíveket,
Csak szemben való szép beszédeket,
De zabolázd meg az ő nyelvöket,
Ne tapodják le híremet, nevemet.
 
U
(VIII)
 
Ugyan szemmel jól látom őket,
Énreám való gyűlölségeket,
Fülemmel hallom káromlásokat,
Igazság ellen feltámadásokat.
 
E
(IX)
 
7. Egész ez város rakva haraggal,
Egymásra való nagy bosszúsággal,
Elhíresedett az gazdagsággal,
Hozzá fogható nincsen álnoksággal.
7. Boosheid en haat slechts kent het volk.
Vervuld van twist zijn huizen en straten.
Zo’n dorst naar goud, zulk een gierigheid,
wordt nergens op aarde aangetroffen.
G
(X)
 
8. Gyakorta köztük gyülések vannak. (m.117)
Özvegyek, árvák nagy bosszút vallnak,
Isten szavával ök nem gondolnak,
Mert jószágukban felfuvalkodtanak.
8. Snoodaards ontzien zich niet
om weduwen en wezen te bedriegen.
Noch hun denken, noch hun doen,
wordt ooit door God geleid.
K
 
 
(XI)
Tenorsolo
9. Keserüségem annyi nem volna,
Ha ellenségtül nyavalyám volna,
Bizony könnyebben szenvedtem volna,
Magamat attól megóhattam volna.
Tenorsolo
9. Nooit zou ik zulk een grote smart voelen,
veel lichter zou ik mijn noodlot dragen,
indien het slechts vijanden waren,
die mij zo kwellen.
E
 
 
(XII)
10. Én barátomnak azkit vélek volt,    (Kodaly: De barátomnak) (10. m.167)
Nagy nyájasságom kivel együtt volt,
Jó hírem-nevem, tisztességem volt,
Fő ellenségem, most látom, hogy az volt. 
10. Doch zie, mijn vriend, mijn liefste makker,
hij, wien ik volkomen vertrouwen schonk,
met wien ik samen mijn levensweg ging,
hij was mijn vijand, de felste van allen.
C
 
(XIII)
Csuda szerelmét énhozzám láttam,
Kivel sokáig mind együtt laktam,
Az Istent véle együtt szolgáltam,
Ily álnokságát soha nem gondoltam.
 
K
 
(XIV)
11. Keserü halál szálljon fejére,                                                11.  (m.155)
Ellenségemnek ítéletére,
Álnokságának büntetésére,
Hitetlenségnek kijelentésére.      
11. Bittere dood, straf hen allen,
ontneem de vijanden hun macht,
vervloekt zij hun ijdele goddeloze spot,
vervloekt heel hun afschuwelijk misdadige aanhang.
E
(XV)
 
Koor en tenorsolo m.195&207
12. Én pedig, Uram, hozzád kiáltok,  
Reggel és délben, este könyörgök,
Megszabadulást tetöled várok,
Az ellenségtöl mert én igen tartok.
Koor en tenorsolo
12. Heer, hoor mijn klachten, ik smeek U.
Ik roep tot U, te allen tijde,
zend mij redding, zend mij verlossing,
als mijn vijanden mij bedreigen en leed mij treft.
M
(XVI)
 
Megszegték ezek esküvéseket,
Régen elhagyták az ő hitöket,
Nem hiszem immár egy beszédeket,
Mert megpróbáltam hitetlenségeket.
 
E
(XVII)
 
Ezeknek szájok zsírosb az vajnál,
Síkosb ajakok az faolajnál,
Élesb az nyelvek az éles kardnál,
Szájokban nincsen egyéb álnokságnál.
 
T
(XVIII)
 
Tenorsolo
13. Te azért lelkem, gondolatodat,  13. m.241
Istenben vessed bizodalmadat.
Rólad elvészi minden, minden terhedet,
És meghallgatja te könyörgésedet.
Tenorsolo
13. En toch, mijn ziel, verheug u en vrees niet.
God is uw vertrooster, het licht op uw pad.
Hij ontneemt u alle aardse leed
en geeft gehoor aan uw bede.
I
(XIX)
 
Koor
14. Igaz vagy Uram, ítéletedben.   14. m.273
A vérszopókat ö idejökben
Te megnem áldod szerencséjökben,
Hosszú életök nem lészen a földön
Koor
14. Eeuwige rechtvaardige,
nooit zult Gij dulden der boosdoeners bloeddorstige daden.
Nooit zal hun werk door U gezegend worden.
Lang leven op aarde zal hun niet beschoren zijn.
A
(XX)
 
15. Az igazakat te mind megtartod,    15. m.294
A kegyeseket megoltalmazod,
A szegényeket felmagasztalod,
A kevélyeket alá hajigálod.
15. Gij zult het vertrouwen der vromen niet beschamen,
hun zijt Gij een vaste burcht.
Wie diep vernederd is
zult Gij verheffen,
H
(XXI)
 
16. Ha egy kevéssé megkeseríted,   16. m.327
Az égö tüzben elbétaszítod,
Nagy hamarsággal onnét kivonszod,
Nagy tisztességre ismét felemeled.
16. De overmoedig vermetele slaat Gij ter neer.
Wien Gij de zwaarste beproevingen zendt,
dien heft Gij weder op tot volle glorie,
verlossing en blijdschap zijn nabij.
S
(XXII)
 
17. Szent Dávid írta az zsoltárkönyvben,  17. m.381
Ötvenötödik dícséretében,
Melyböl az hívek, keserüségben,
Vígasztalásért szörzék így versekben.
17. Zo spreekt de Schrift, zo zong Koning David,
zong ‘t in de 55e psalm.
Een, die geloofde en leed in ‘t hart droeg,
vormde daarvan een lied, ter vertroosting van allen.

Verantwoording.
De meeste informatie van dit artikel is afkomstig uit de voortreffelijke inleiding in de prachtige facsimile-partituur van Psalmus Hungaricus. De complete psalmbrijming met alle 22 coupletten vond ik op internet: http://www.jgytf.u-szeged.hu/~vass/diskj.htm
Universal Edition UE40100. ISBN: 978-3-7024-6329-8
 
Voetnoten.
1. Een acrostichon (ook: naamdicht of lettervers) is een gedicht waarvan bepaalde, meestal de eerste, letters van iedere regel of strofe, achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin vormen. Het is een zeer oude vorm die op verschillende plaatsen in de bijbel al wordt gevonden. Overigens gebruikte Kodály voor zijn Psalmus Hungaricus maar 17 van de 22 coupletten waardoor het oorspronkelijke acrostichon niet meer uit de tekst van de compositie is af te lezen.  terug
2. Kodály bezat een wetenschappelijke kennis van de Hongaarse volksmuziek. Hij bezocht in 1906 afgelegen boerendorpen in Hongarije om er de volkmuziek te bestuderen en met een fonograaf vast te leggen en hij ontmoette er zijn vriend Bartók die met hetzelfde onderzoek bezig was. De titel van zijn dissertatie (1906) was: Der Strophenbau des ungarischen Volksliedes.   terug
3. Református korlálkönyv, Boedapest 1959, Nr.263. terug
 
   
                                              Kodály met een fonograaf.