Rachmaninov (1873-1943), Symfonische Dansen op.45 (1940)   Programmatoelichting voor concerten van het VU-Orkest juni en juli 2016.           © 2016 Daan Admiraal

De Symfonische Dansen op.45 (1940) zijn Rachmaninov's laatste compositie. Hij schreef ze in Amerika, 45 jaar na zijn  Eerste Symphonie in d (1895). De Symfonische Dansen zijn geen programma muziek. Rachmaninov pretendeert nergens een literair verhaal te vertellen of een serie zieleroerselen met muziek te beschrijven. Het is absolute muziek - de noten vertellen het verhaal en dat gaat over dansmuziek: dansritmes en meeslepende melodieën. Maar dit gezegd hebbende moet ik er aan toevoegen dat Rachmaninov in het eerste en het derde deel de muziek heeft voorzien van een zeer intieme handtekening. 

De prachtige melodie die uit het niets opduikt na een sul ponticello (bij de kam gestreken wat een scherp metalig geluid oplevert) passage aan het eind van het eerste deel blijkt gebaseerd te zijn op een autobiografisch gegeven uit Rachmaninov's verleden.
Dit zijn de feiten die je moet kennen om een en ander beter te begrijpen. Rachmaninov citeert in deze melodie het hoofdthema uit zijn Eerste Symfonie. De premiere (1897) van de Eerste Symfonie (1895) was om verschillende redenen desastreus verlopen. 'De Symfonie was onvoldoende gerepeteerd, het orkest speelde slordig, er was geen enkele stabiliteit in de tempi, veel fouten in de partijen waren niet gecorrigeerd; maar het belangrijkste dat het werk onderuit haalde was de levenloze, oppervlakige en zoetige uitvoering, zonder een flits van bezieling, enthousiasme of briljante orkestklank'. Goed geïnformeerde kringen voegden daar aan toe dat dirigent Glazoenov dronken op het podium had gestaan, iets dat hem wel meer overkwam. De vijandige ontvangst van de symfonie had een desastreuze invloed op Rachmaninov. Hij storte psychisch ineen en was niet meer instaat om te componeren tot familie en vrienden hem in 1899 doorverwezen naar een hypnotherapeut, Dr. Nikolai Dahl. Onder diens begeleiding werd het Tweede Pianoconcert (1900) geschreven. De Eerste Symfonie werd tijdens het leven van Rachmaninov nooit meer  uitgevoerd. De herinnering aan de première van de eerste Symfonie moet jarenlang uitermate pijnlijk zijn geweest voor Rachmaninov. Misschien verwijst de sul ponticello passage naar die onaangename herinnering. Rachmaninov laat het thema van de Eerste Symfonie hier klinken ontdaan van elke pijn, het is een herinnering gekenmerkt door een sublieme onthechting.
 
 
Rachmaninov in 1897. Glinka Museum, Moskou
 
Ook het laatste deel draagt een hoogstpersoonlijk stempel als Rachmaninov citeert uit zijn grote religieuze werk voor koor a capella, de Vespers op.37 (1915). Ze worden beschouwd als een van de grootste composities in de gehele Russisch Orthodoxe kerkmuziek. Rachmaninov citeert daaruit nr.9, Blagosloven yeci, Gospodi. De tekst van deze vesper verwijst naar de overwinning van Christus over de menselijke zonde, over de dood en onze verlossing van de hel:
The Angel host was astonished, when they saw you among the dead, yet you destroyed its power, Savior; and you yourself delivered Adam and brought us freedom from hell.                                                                                                                             Nadat het
Blagosloven yeci, Gospodi-thema voor de tweede keer is gespeeld schrijft de componist in de partituur 'Alliluya'. Dat kan eenvoudig de 'doxologie' aanduiden, de korte lofzang aan het einde van een psalm, lied of hymne. Dat is een Christelijke traditie die teruggaat tot eenzelfde praktijk in de Joodse synagoge. Maar misschien had Rachmaninov wel een andere bedoeling, om zijn dankbaarheid naar God uit te drukken voor zijn mooie leven. Zoals Beethoven eerder na het herstel van een ernstige ziekte had gedaan in zijn Strijkkwartet opus 132: Heiliger Dankgesang eines Genesenen an die Gottheit.                                                                                                                                                                                                                                           
 
Tijdens de eerste repetitie voor de première (1941), onder Eugene Ormandy met het Philadelphia Orchestra, zei Ormandy naar aanleiding van de moeilijkheid van de in de partij genoteerde streken tegen het orkest: 'Ach ja, Fritz heeft het voor me gedaan'. Fritz Kreisler was een van de grootste violisten van zijn generatie. Hij en Rachmaninov waren bevriend sinds 1918.

I. Non allegro                                                                                                                                                                                                                                                                                               Deel 1 heeft een ijzersterke thematische eenheid waardoor het muzikale discours zelfs bij de eerste keer luisteren makkelijk te volgen is. Er is eigenlijk maar één belangrijk idee, een klein ritmisch motief (a-thema) van drie noten die samen een kleine drieklank vormen. Het wordt in de eerste maten geintroduceerd door enkele houtblazers. Wat ze spelen klinkt als een retorisch argument: zullen we muziek gaan maken met dit idee? Er volgt een kort overleg, een geagiteerde passage van het strijkorkest met houtblazers/hoorns(je kunt dat moment ook zien, de strijkers spelen daar alleen maar afstreken). Ook de paukenist meldt zich met een krachtig statement en dan is daar het antwoord: Ja, dit is het thema! (celli/bassen, fagotten): 

 

Er volgen lange passages met motivische ontwikkeling in een attractieve quasi geïmproviseerde stijl. Hetzelfde retorische argument keert terug in de houtblazers. Een elegant samenspel van hobo en klarinet (grote en kleine drieklanken) en later ook fluit en klarinet vormt de achtergrond voor het b-thema van de altsaxofoon (die verder zal zwijgen). De themakop van het b-thema is de omkering van het a-thema. Later keert het b-thema terug in de eerste violen en de celli in octaven. Het is een verrukkelijke romantische melodie, met een groot nostalgisch verlangen en een sterk Russisch karakter:

Een middendeel met doorwerkingskarakter volgt. De afstreek passage van de strijkers zoals hierboven besproken vormt de inleidende overgang vormt naar een korte reprise van het a-thema. In die reprise zal het b-thema van de saxofoon niet terugkeren. In plaats daarvan is er plotseling dat pijnlijke geluid in de strijkers sul ponticello (bij de kam aangestreken). En dan zet het thema van de Eerste Symfonie in, nobel en berustend:

Piano, harp en campanelli (Glockenspiel) spelen een achtergrond die het getinkel van kleine klokjes lijkt te suggereren. We moeten hier denken aan Rachmaninov's grote koorcompositie The Bells.  

2. Andante con moto (Tempo di valse)

De driedelige A-B-A vorm wordt onderstreept door een drievoudige introductie voor elke sectie van alleen koper. Het deel is een verleidelijke reeks romantische walsmelodieën. In de orkestrale textuur vallen soms de ornamentele guirlandes op in de middenstemmen. Wij moeten daar denken aan Rachmaninov de fabuleuze pianist. Het lijkt soms wel of hij bij het componeren dacht als een pianist die nog wat vingers over had die graag wilden meedoen en wat virtuoze hoogstandjes kregen.

3. Lento assai – Allegro vivace – Lento assai. Come prima – Allegro vivace.

Het deel in ABA-vorm begint met een langzame introductie. Hobo en klarinet drukken het romantische verlangen uit naar het onbereikbare. Ook hier dialectiek. Opeens wordt het besluit genomen: Laten we dansen!                                                                   Het eerste dansthema is door zijn ritmische structuur en frygische toonladder Spaans van karakter:

Er volgen vele andere thema's en motieven. Ik wil nog één belangrijk thema noemen (altviolen) dat verschijnt na twee inleidende maten met dalende toonladders:

Deze altmelodie is het hierboven besproken citaat uit Rachmaninov's Vespers. Maar het is geen letterlijk citaat. In feite parafraseert Rachmaninov het thema van zijn Vespers door een nieuw thema te maken, met dezelfde melodische contouren. Opmerkelijk is ook dat Rachmaninov hier een aantrekkelijk danskarakter realiseert door de legato-stijl van de originele gezongen Vespermelodie te veranderen in staccato. De muziek klinkt als een sprankelende renaissancedans.                                                                    Tijdens de uitgelaten orkestrale feestvreugde even later klinkt plotseling in de hoorns het Dies irae-thema, dat verwijst naar het Laatste Oordeel.

Meteen daarna klinkt bovenstaande 'vespermelodie' voor de tweede keer (langzamer en nadrukkelijker), 'Alliluya' en komen de Symfonische Dansen in een plotseling sneller tempo tot een uitbundig einde.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Footnotes.

Beethoven,15e strijkkwartet Heiliger Dankgesang eines Genesenen an die Gottheit