Shostakovich-10, programmatoelichting.                                                                                                                      © Daan Admiraal, 2012.

Geschreven als programmatoelichting voor de concerten van het VU-Orkest in juni en juli 2012, Nederland en Rusland. 

De 10e symfonie van Shostakovich in e mineur ging in 1953 (het sterfjaar van Stalin) in première. Het was zijn eerste symfonie na de 'oorlogstrilogie' van drie symfonieën (7, 8, 9) die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef. De 10e wordt door velen beschouwd als een van zijn beste symfonieën.

Deel 1.
In het eerste deel voltrekt zich een onafwendbaar drama. Gaat hier een individu ten onder in een vijandige wereld? Maar het is technisch gesproken ook een groots opgezette sonatevorm: expositie-doorwerking-reprise. Er zijn drie themagroepen - ik hoop dat U ze met mijn korte beschrijving herkent.
Het eerste thema waar de symfonie zonder inleiding meteen mee begint is eenstemmig in de lage strijkers. Het is hoogst persoonlijk, naar binnen gekeerd, somber en berustend:

Dan volgt het tweede thema, de solo-klarinet begeleid door een simpele vioolstem en een liggende cello&bas-noot. Wij hebben ook hier het gevoel te luisteren naar de intieme gedachten van iemand die zwijgt, naar een monologue interieur. De sfeer is eenzaam en verlaten:

Het thema wordt ontwikkeld in een gekweld fortissimo met blazers. Daarna keert dezelfde tragische klarinetsolo terug. Meteen aansluitend volgt het derde thema, in een nieuw tempo, een treurig walsje van de dwarsfluit in het laagste register. De geplukte (pizzicato)noten van de strijkers klinken knekelig:

Doorwerking.
Het begin van de doorwerking wordt gemarkeerd door de diepe sonoriteit van een solo voor twee fagotten en contrafagot (eerste thema). Er volgt een episode voor blaasorkest waarbij ook het walsje (derde thema) schril en hoog in de piccolo en de es-klarinet klinkt. Het slagwerk meldt zich: we horen achtereenvolgens bekkenroffels, een tamtam-klap duidt op naderend onheil en met de komst van de militaire trom ontstaat er een apocalyptische nachtmerrie met onwaarschijnlijk luide, alles verscheurende crescendi van het hele orkest. Meteen aansluitend volgt een zeer geëmotioneerde reprise. Het tweede thema keert terug als een betoverende solo voor 2 klarinetten (pianissimo). De componist keert weer terug naar het besloten privédomein van zijn gedachten. Dan stijgt de muziek op naar ijle strijkersklanken. Besneeuwde vlakten, dodenakkers?
Deel 2.
Het tweede deel, dat iets meer dan 4 minuten duurt, is een demonisch scherzo. Een essay in duivelse orkestrale razernij. Sommige commentatoren beweren dat dit deel een portret van Stalin zou zijn. Het deel begint agressieve ritmische klappen en dan klinkt er een Russisch thema. Is dit een bewust citaat uit de opera Boris Godoenow van Moessorgsky? Hieronder in de bovenste balk de Boris-melodie, op de onderste balk de zo daarop gelijkende melodie uit Shostakovich' 10e:

Deel 3.
Om het derde deel beter te begrijpen is het goed om de vier belangrijkste thema's te kennen. Op een eerste thema in de strijkers

                      
 
volgt een tweede thema voor blazers en slagwerk, met het karakter van een vitale folkloristische dans:
                                                                        D      S   C   H
In dit tweede thema horen we al het bekende Shostakovich-thema D(mitri)-S-C-H (ostakovich) dat ontstaat uit zijn initialen in de Duitse notennamen:
 
  
 
Dit thema dat prominent in het vierde deel zaal terugkeren geeft de muziek een autobiografisch stempel. Raadselachtig is de 12 keer herhaalde hoornroep:
 
 
Toen Shostakovich de symfonie schreef was hij getroffen door de overeenkomst van dit thema met een thema uit Mahler's Das Lied von der Erde:
 
 
Pas in de jaren '90 werd bekend dat het thema verwijst naar een leerlinge van de componist, Elmira Nazirova, die kennelijk zijn muze was bij het componeren van de symfonie.
 
Deel 4.
Het laatste deel (langzaam-vlug-langzaam-vlug) behoeft weinig toelichting. Het begint met een sombers cantilene van celli en bassen gevolgd door lange, schrijnende solo's voor hobo en fagot. In het virtuoze Allegro trekt dan een lange stoet direkt aansprekende en soms zeer triviale deuntjes voorbij, een bonte parade van muzikale karakters. Dat alles culmineert in die onwaarschijlijk luide, tragische climax met slagwerk, op het DSCH-thema. Daarna wordt de langzame inleiding herhaald in de strijkers, celli en violen met tragische bespiegelingen. Ook de schrijnende hobo-solo komt terug. Met de inzet van de fagot met een lange solo, staccato in het lage register, als grappenmaker. Humor en sarcasme als overlevingsstrategie? De symfonie besluit met een aanstekelijke uitbundigheid, met DSCH in de pauken, maar is het geen blijdschap tegen beter weten in, een tragische vermomming?