Georg Phillip Telemann, Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem, TWV1:797 (1759).

Telemann.
Georg Philipp Telemann (1681-1767) was in zijn tijd een veel bekendere en gewildere componist dan J.S. Bach. Toen de positie van Thomascantor vrij kwam na de dood van Kuhnau  gaf de gemeenteraad van Leipzig de voorkeur aan Telemann en Graupner. Bach kwam pas in beeld toen Telemann en Graupner niet beschikbaar waren. Bach en Telemann verdwenen na hun dood vrijwel volledig uit het openbare muziekleven. De grote Bach-revival die in de 19e eeuw ontstond (een mijlpaal was de eerste heropvoering van de Matthäus-Passion door Mendelssohn in 1829) leidde tot de eerste uitgave van zijn complete werk, de monumentale Gesamtausgabe (1851-1899). In 1950 verscheen een Bach-Werke-Verzeichnis van de hand van Wolfgang Schmieder. Sedertdien beschikken alle composities van J.S. Bach over een BWV-nummer.
Vanaf 1953 verschijnen bij Bärenreiter de banden van een Telemann Gesamtausgabe, een project dat onder andere wegens gebrek aan fondsen maar langzaam vordert. Toch kunnen we sinds een paar decennia de gigantische nalatenschap van Telemann overzien. Er verscheen een Thematisches Verzeichnis der Vokalwerke von Georg Philipp Telemann (Menke, Werner,  Frankfurt am Main, 1982). In 1984 publiceerde Martin Runke: Georg Philipp Telemann: thematisch-systematisches Verzeichnis seiner Werke (TWV). Maar hoewel oeuvre is gecatalogiseerd zijn de meeste vocale werken nog moeilijk toegankelijk, simpelweg omdat ze niet zijn uitgegeven – ze liggen als manuscript in diverse bibliotheken. Telemann’s  oratorium Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem werd pas in 1997 door Bärenreiter uitgegeven als band XXX van de Telemann Gesamtausgabe. Hoewel de partituur in Nederland aanwezig is heeft momenteel nog geen enkele koorbibliotheek het uitvoeringsmateriaal.
Karl Wilhelm Rammler.
In de gangbare muziekgeschiedenisboeken wordt de naam Karl Wilhelm Rammler (1725-1798) hoofdzakelijk vermeld als de tekstschrijver van Der Tod Jesu van Carl Heinrich Graun (1704-1759). Deze compositie was in de tweede helft van de 18e eeuw en een groot deel van de 19e eeuw het populairste koorwerk voor de passietijd tot de Matthäus-Passion van J.S. Bach definitief doorbrak en Der Tod Jesu naar de marge werd verdrongen.
Rammler was in zijn tijd een zeer gezien literator die bevriend was met grote figuren als Lessing xxxx. Naast
Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem leverde hij Telemann ook de teksten van de Ino-Kantate, diens passie-oratorium Der Tod Jesu en de voorjaarsidylle Der Mai.
Ontstaan van de tekst.
Wij zijn over het onstaaan van Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem goed geïnformeerd. Rammler beschrijft in een bewaard gebleven brief hoe hij in 1757 zijn tekst Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem voor de Berlijnse hofkapelmeester Johann Friedrich Agricola [1720-1774] schreef.
Ich habe mich von dem Herrn Agricola, Quantz, Krause überreden laßen eine Weihnachtscantate zu machen, die Herr Agricola componirt und seine Frau gesungen hat. Het is niet onwaarschijnlijk dat Telemann die correspondeerde met Agricola door diens toedoen de tekst van Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem heeft ontvangen. Telemann zette 2 jaar later, in 1759, de tekst op muziek - hij was toen 78.
In de tekst van Rammler ontbreken de 4 koralen of enige verwijzing daarnaar.
De versies.
Van Telemanns compositie zijn twee 18e eeuwse manuscripten bewaard gebleven: het originele manuscript van Telemann [autograaf] en een afschrift van Telemanns copyist [afschrift]. Bij de autograaf behoren twee losse inlegvellen met de muziek en de tekst van de 4 koralen A-B-C-D, voorzien van Telemanns opmerking:
Zu beyden Theilen des Weihnachtsstück. De plaats van de koralen wordt in de partituur aangegeven met dezelfde letters. In het afschrift ontbreken de 4 koralen en elke verwijzing daarnaar. Men vermoedt daarom dat het stuk in eerste instantie zonder koralen geschreven is voor een niet-kerkelijke gelegenheid: een openbaar concert of een besloten uitvoering in een adellijke salon waar Rammlers arcadische taferelen erg goed zouden passen. De koralen zouden dan later door Telemann zijn toegevoegd om het stuk ook te kunnen gebruiken in de kerk. xxxx. Met de koralen ontstond de volgende tweedelige vorm:
Erster Teil. 1. koraal - 2. recitatief - 3. aria - 4. koraal - 5. recitatief - 6. duet en koor.
Zweiter Teil. 7. koraal - 8. recitatief - 9. aria - 10. koraal - 11. recitatief - 12. slotkoor.
Met een preek van de dominee in het midden klonken dan de 2 delen van deze compositie net als de Matthäus-Passion
vor und nach der Predigt.
Koor en orkest.
We kunnen er van uitgaan dat het koor waar Telemann voor schreef klein was: hooguit 16 zangers, jongenssopranen, falsetterende mannen (alten), en tenoren, bassen. Een klein veelbetekenend detail in de partituur toont aan dat Telemann aan jongenssopranen dacht. In nr. 6 duidt hij de solosopraan alle drie keren aan met het mannelijke woord einer.
Telemann gebruikt een weelderige blazersbezetting naast het strijkorkest en continuo : 2 sopraanblokfluiten, 2 altblokfluiten, 2 dwarsfluiten, 2 hobo's, fagot, 2 hoorns, 3 trompetten en pauken. Dat grote apparaat wordt zeer afwisselend gebruikt: nergens klinken alle instrumenten tegelijk.
De 4 koralen zijn anders geïnstrumenteerd dan we van Bach gewend zijn. Waar Bach de houtblazers en de strijkers inzet voor een orgelende begeleidingsklank gebruikt Telemann een strofische afwisseling van eerst alleen strijkers en daarna strijkers met 3 trompetten en pauken.
De 4 recitatieven behoren alle tot het accompagnato-type: ze zijn geschreven voor strijkorkest en continuo. Slechts enkele kleine fragmenten zijn secco-recitatief.
Alleen in de 3 aria's en in het slotkoor gebruikt Telemann de houblazers.
De instrumentatie van de basaria Hirten aus den gold'nen Zeiten, blast die Flöten, rührt die Saiten! (nr.3) is ongetwijfeld door de tekst bepaald. De aansporing van de bassolist blast die Flöten wordt direct door twee fluiten beantwoord, zijn rührt die Saiten! door de strijkers. De gold'nen Zeiten zou het gebruik van de koperen trompetten kunnen verklaren. 
In het duet Kehre wieder, holde Friede! (nr.6, met de karakteraanduiding Angenehm) wordt de smeekbede van de zangers tot de allegorische Frieden begeleid door pizzicato van de strijkers en 2 altblokfluiten met hun milde geluid - ze worden in de barok flauto dolce genoemd. 
De instrumentatie van de tenoraria Schönstes Kind aus Juda Samen (nr.9) is het meest curieus: 2 hoorns, 2 sopraanblokfluiten en strijkers. De hoorn (in de barok vaak corno da caccia genoemd) werd geassocieerd met de jacht en verwijst misschien hier met het pastorale buitenleven. Bij Rammlers antieke Arcadië  hoort ook de god Pan met als vaste attribuut de syrinx (panfluit).
En dan zijn er opeens twee hobo's in het slotkoor, nr.12, het enige koordeel waarin houtblazers de strijkerskleur verrijken. Wij kunnen niet aannemen dat Telemann 2 hoboïsten tot het slotkoor liet wachten. Waarschijnlijk beschikte hij over 2 'multi-instrumentalisten' die dwarsfluit, hobo en blokfluit speelden. De kerstcantate kon dan worden uitgevoerd door een ensemble van 4 (in plaats van de door ons gebruikte 8) houtblazers. Het slotkoor is daarmee een tutti afsluiting: niet van alle instrumenten samen, maar wel van alle spelers. 
De bronnen van Rammlers tekst.
Meteen aan het begin van zijn vertelling verrast Rammler ons omdat hij het kerstkind niet in de ons uit het Lucas-evangelie zo bekende kommervolle omgeving situeert (in doeken gewikkeld, neergelegd in een kribbe, want er was geen plaats in de herberg) maar in een arcadisch landschap. Hij slaapt op een mals klaverbed, op vers gemaaide bloemen, de god van de herders. Uit een onderzoek naar de herkomst van Rammlers dichterlijke inspiratie blijkt zijn tekst een curieuze vermenging van beelden uit het oude testament met beelden van Vergilius en Ovidius. Pas aan het einde van zijn vertelling neemt Rammler zijn toevlucht tot het bekende kerstverhaal uit het Lucas-evangelie. Hij bericht over de angst van de herders die plotseling door licht omgeven waren om als aankondiging van zijn slotkoor, de hemelse engelenzang Gloria in excelsis deo.
 
Rammlers tekst is voor een groot deel geparafraseerd bijbelcitaat.
 
Een belangrijke bron van inspiratie waren de vele Messianistische profetieën in het Oude Testament. Het beeld van de herdersstaf heeft Rammler ontleend aan het boek Genesis:
Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. (Genesis 49:10) voor het beeld van de staf
Jesaja: Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. (Jesaja 9: 5).Jesaja: Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. (Jesaja 9: 5).
Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels. (Jesaja 11: 1).
Messias-voorspelling van de profeet Zacharia, 'De komst van de Messias':
Jubel, dochter van Sion, juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt naar u toe, hij is rechtvaardig en zegevierend; hij is nederig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. (Zacharia 9: 9)
Ovidius
Vergilius 39 v.Chr. Bucolica / Eclogae
Vergilius is vooral bekend door de Aeneis, zijn belangrijkste werk. Daarvóór publiceerde hij twee andere werken: de Bucolica en de Georgica. De Bucolica, ook wel Eclogae genoemd, stammen uit 39 v. Chr. Het is een bundel van 10 herdersgedichten, waarin Vergilius de pastorale wereld vermengt met de historische werkelijkheid. De beroemdste Ecloga is de vierde, waarin de geboorte van een kind wordt voorspeld, met wiens komst het Gouden Tijdperk zal terugkeren. Over de vraag wie met dit kind bedoeld wordt bestaan verschillende opvattingen. De Christenen zagen er al vroeg (4de eeuw) een aankondiging van de Messias in.
De Romeinse schrijvers Ovidius en Vergilius beschrijven beiden de 'gouden eeuw', het tijdperk uit de mythologie, waarin volmaakte voorspoed en vrede heersten, een beschaving zonder ondeugden. Het gelukzalig, onschuldig leven wordt bij voorkeur gesitueerd in Arcadië, een landstreek in Griekenland, bevolkt door eenvoudige herders en het domein van de fluitspelende god Pan. Het landschap van Arcadië wordt in de herderspoëzie voorgesteld als weelderig begroeid met sappige weiden. Hier verwijst Rammler naar de 4e Ecloga van Vergilius waarin de terugkeer van een 'Gouden Eeuw' op aarde wordt voorspeld, die wordt ingeleid door de geboorte van een kind. Sedert Constantijn en Augustinus zag men in de Christelijke wereld hierin een voorspelling van de komst van Jezus. 1. gold'nen Zeiten.
 
1. Koraal.
O Jesu parvule,
nach dir ist mir so weh1,
tröst mir mein Gemüte,
o puer optime,
durch alle deine Güte,
o princeps gloriae,
trahe me post te2.
 
O Patris caritas,
o nati lenitas,
wärn wir all´ verdorben
per nostra crimina3,
so hat er uns verworben
coelorum gaudia,
eia wärn wir da,
eia wärn wir da.
Koraal.
O klein Jezuskindje,
ik verlang naar jou met smart,
troost mijn gemoed,
o voortreffelijk kind,
door middel van al je goedheid,
o glorierijke vorst,
trek mij mee achter je aan (naar de hemel).
 
O liefde van de Vader,
o mildheid van de Zoon,
al waren wij allen verdorven
door onze schuld
dan heeft hij voor ons verworven
de hemelse vreugde,
eia, hoe graag waren wij daar,
eia, hoe graag waren wij daar.
Tekst en muziek: Neu=vermehrtes Hamburgisches Gesang=Buch ... Hamburg. ...Anno 1716.
O Jesu parvule en O Patris caritas zijn de 2e en 3e strofe van het bekende kerstlied In dulci jubilo dat al voor de reformatie (in de 14e eeuw) bestond  en waar diverse Duitse en Middelnederlandse tekstvarianten van bestaan. De versie die Telemann ontleende aan het Hamburgisches Gesang=Buch is weer afkomstig uit de Geystliche Lieder, ofwel het Babstsche Gesangbuch (1545).  
Voetnoten.
1. O Jesu parvule, nach dir ist mir so weh
Een bijzonder fenomeen in diverse laatmiddeleeuwse liederen is de rijmende afwisseling van Latijnse en Duitse zinnen, die mengtaal wordt genoemd.
Men neemt aan dat het genre mengtaallied ontstond toen kerkliederen in de late middeleeuwen buiten de kerk een eigen ontwikkeling doormaakten als volkslied, waarbij de oorspronkelijk Latijnse teksten in toenemende mate werden voorzien van interpolaties in de volkstaal.
2. trahe me post te.
Deze cryptische woorden zijn het restant van een veel langere zin, zoals een veel oudere (15e eeuwse) tekstversie verduidelijkt:
O puer optime, Trahe me post te, trahe me post te, Al in dijns vaders rike, o princeps gloriae
O uitverkoren kind, / trek mij mee (achter je aan), / tot in het rijk van je vader, / o glorierijke prins.   bronvermelding   
3. wärn wir all´ verdorben / per nostra crimina, / so hat er uns verworben / coelorum gaudia,
Een verwijzing naar de erfzonde (nostra crimina) die de mens achtervolgt sinds de zondeval en zijn verdrijving uit het paradijs. Het kerstkind kan ons niet naar de hemel voeren: trahe me post te is een verlangen dat vooruit wijst naar Pasen. De hemelse vreugde (coelorum gaudia) zal ons pas ten deel vallen als Christus die door zijn kruisdood heeft verworben.
2. Hirtenlied.
Hier schläft es -o wie süß! -
und lächelt in dem Schlafe, das holde Kind1.
Hier schläft das Kind vom Stamm des Hirten David2.
Hier schläft auf weichem Klee,
auf frisch gemähten Blumen3 der Hirten Gott.
Ja, ja, der Hirten Gott!
Bald wird man Ströme Milch4a auf allen Auen sehen,
Wo Lämmer mit den Müttern gehen5.
Die Felsen gießen Öl herab.
Die gold'nen Ernten brechen
Aus ungepflügter Erd' hervor6.
Aus hohlen Weiden an den Bächen
Rinnt Honig4b in die Fluth.
Wenn Tabor7 sich und Hermon7 sich
In neuen Blüthen hüllen,
Trägt Karmel7 dort sein Haupt von Früchten schwer empor.
Der Treiber bindet seine Füllen
An einen Weinbeerbaum,
Und wäschet seines Kleides Gaum
In Traubenblut8.
2. Herderslied.
Hier slaapt het -  o hoe zoet! -
en het glimlacht in zijn slaap, het lieflijke kind.
Hier slaapt het kind dat afstamt van de herder David.
Hij slaapt op een mals klaverbed,
op vers gemaaide bloemen, de god van de herders.
Ja, ja, de god van de  herders.
Spoedig zal men stromen melk op alle weiden zien,
waarop lammetjes met hun moeder lopen.
Van de rotsen stroomt olie.
Plotseling komen uit ongeploegde aarde
De gouden graanoogsten tevoorschijn.
Uit onbegroeide (lett. lege) weiden
druipt honing in de beek.
Als de Tabor en de Hermon zich
in nieuwe bloempracht hullen
heeft de Karmel moeite zijn hoofd zwaar van de vruchten omhoog te houden.
De (ezel)drijver bindt zijn veulen
aan een wijnstok,
en wast zijn mantel
in het bloed van de druiven.
Tekst.
De tekst zoomt maar even in op de kribbe maar onze aandacht wordt meteen daarna gericht op het arcadische landschap waarin Jezus de god van de herders is.
1. und lächelt in dem Schlafe, das holde Kind
Dat het kind glimlacht is een niet-bijbels detail, mogelijk ontleend aan Vergilius' Ecloga IV: 
Wachse nun, kleiner Knabe, lächelnd erkenne die Mutter
Viel Verdruß und Beschwer zehn Monde lang trug deine Mutter -,
Wachse nun, kleiner Knabe; wer nicht gelächelt der Mutter,
Den nicht würdigt des Tisches der Gott, des Lagers die Göttin.
vertaling: Theodor Haecker (1871 - 1945)
060 incipe parve puer risu cognoscere matrem
061 matri longa decem tulerunt fastidia menses
062 incipe parve puer qui non risere parenti [oder: parentes]
063 nec deus hunc mensa dea nec dignata cubili est
 
2. vom Stamm des Hirten David.   
David was de jongste zoon van Isaï, ook wel Jesse genoemd. In de bekende profetie van Jesaja stamt de messianistische figuur af  van Isaï:
Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels. (Jesaja 11: 1). Ook het beeld van de stam / stronk en de twijg / tak, in het bekende kerstlied es ist ein Reis / Ros entsprungen verbasterd tot roos is  van deze Jesaja tekst afkomstig. 
Dat de jonge David een herder was lezen we o.a. in 1 Samuel 16: 19 waarin men tegen Isaï zegt: uw zoon David, die bij de schapen is.
De stamboom van Jezus is ook ontleend aan de bijbel: zie stamboom van Jezus.
3. Hier schläft auf weichem Klee, auf frisch gemähten Blumen der Hirten Gott
Het arcadische beeld van het kind in een wieg van bloemen vinden we bij Vergilius:
Kosende Blüten wird deine Wiege über dich schütten.
023 ipsa tibi blandos fundent cunabula flores.
4a. Bald wird man Ströme Milch auf allen Auen sehen
Selbst bringen milchgespannte Euter nach Hause die Ziegen;
4b. Aus hohlen Weiden an den Bächen / Rinnt Honig in die Fluth.
Het is kan zijn dat Rammler hier een beeld uit de bijbel gebruikt maar waarschijnlijk was de bron van zijn verbeelding Ovidius:
En op die dag zal het gebeuren, ... dat de heuvels stromen van melk ... (Joel 4: 18)
Rivieren stroomden rijk aan melk ... en uit de groene steeneik drupte gouden honingvocht. (Ovidius, Boek I, 111-112)
Maar het beeld van melk en honing roept nog een andere associatie op. Het land van melk en honing was voor het volk Israël dat in Egypte in ballingschap leefde het beloofde land. God beloofde Mozes dat Hij de Israëlieten zou bevrijden uit Egypte:
Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte, om het weg te leiden uit dit land .... naar een land van melk en honing ....(Exodus 3: 8).
In de arcadische wereld van paradijselijke overvloed van Ovidius/Rammler zijn melk en honing ook symbool voor de verlossing van de mens door Christus.
5. Wo Lämmer mit den Müttern gehen
Vergilius: Selbst bringen milchgespannte Euter nach Hause die Ziegen
6. Die gold'nen Ernten brechen / Aus ungepflügter Erd' hervor
Een vrijwel letterlijk Ovidius-citaat met de zinsdelen in een omgekeerde volgorde:
Spoedig ook schoot er graan uit niet geploegde grond en droegen nimmer bewerkte akkers gele halmen, zwaar van tros.
(Ovidius, Metamorfosen, Boek 1, 109)
7. Wenn Tabor sich und Hermon sich In neuen Blüthen hüllen,
Tabor, Hermon, Karmel: bergen in Judea.
Het land is verdord en verkommerd, de Libanon is verwelkt en schaamt zich; Saron wordt een woestijn, Basan en Karmel hebben geen loof meer. (Jesaja 33: 9)
Laat de woestijn en het dorre land zich verheugen, de wildernis jubelen en bloeien, weelderig bloeien als de krokus; laat haar uitbundig juichen en jubelen. Zij wordt getooid met de glorie van de Libanon, de luister van Karmel en Saron. Dan zal men de glorie van de heer zien, de luister van onze God. (Jesaja 35: 1-2)
1Aber die Wüste und Einöde wird lustig sein, und das dürre Land wird fröhlich stehen und wird blühen wie die Lilien.
2Sie wird blühen und fröhlich stehen in aller Lust und Freude. Denn die Herrlichkeit des Libanon ist ihr gegeben, der Schmuck Karmels und Sarons. Sie sehen die Herrlichkeit des HERRN, den Schmuck unseres Gottes. (Jesaja 35: 2)
8. Der Treiber bindet seine Füllen An einen Weinbeerbaum, / Und wäschet seines Kleides Gaum In Traubenblut.
Een vrijwel letterlijk citaat uit 'de profetie van Jakob' waar in een mogelijke vertaling de Silo wordt voorspeld.
Met Schilo (Ned. Silo) wordt een Hebreeuws woord aangeduid uit de onderstaande profetische tekst uit genesis. Men zal er in de meeste bijbelvertalingen vergeefs naar zoeken.
Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten,
totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. (Genesis 49:10)
In plaats van 'totdat hij verschijnt die hem leiden mag' kan men ook vertalen ‘totdat Silo komt’, in beide gevallen wordt verwezen naar een toekomstige messiasfiguur. Bron: De Nieuwe Bijbelvertaling.
 ('Hij, aan wie het toekomt'):
Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. Aan de wijnstok bindt hij zijn ezelin, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, zijn mantel in het bloed van de druiven. (Genesis 49: 10-11).
Rammler laat de eerste zin met de messianistische voorspelling weg en gebruikt alleen de tweede waarin op de overvloed van het messiaanse tijdperk wordt gewezen.
3. Aria. Bas.
Hirten aus den gold'nen Zeiten1,
blast die Flöten2, rührt die Saiten2!
Euer Tagewerk sei Freude3a,
euer Leben sei Gesang3a!
 
Gott der Hirten, dessen Macht
aus der Wüste Sin und Kades3b
einen Garten Gottes3b macht,
ach! mit welchen Zungen
wird dein Lob gesungen?
Nimm zum Lobe meine Freude,
meine Freude sei mein Dank.
3. Aria. Bas.
Herders uit de Gouden Eeuw,
blaas de fluiten, roert de snaren!
Jullie dagelijks werk zij vreugde,
jullie leven zij gezang!
 
God van de herders, wiens macht
uit de woestijn Sin en Kades
een Goddelijke Tuin maakt,
ach! in welke talen
wordt Uw lof bezongen?
Ontvang als lof mijn vreugde,
mijn vreugde zij mijn dank.
Tekst.
1. gold'nen Zeiten.
Rammler verwijst naar de Messiavoorspelling uit de 4e Ecloga van Vergilius waarin met de geboorte van een kind een 'Gouden Eeuw' op aarde aanbreekt.
2. blast die Flöten, rührt die Saiten!
Fluit en citer worden op vele plaatsen in de bijbel in een adem genoemd sinds het eerste bericht over muziek in de bijbel over Jubal, de stamvader van allen die op de citer en de fluit spelen (Genesis 4: 21).
3a. Euer Tagewerk sei Freude, euer Leben sei Gesang!
3b. Gott der Hirten, dessen Macht aus der Wüste Sin und Kades einen Garten Gottes macht,
Rammler citeert Jesaja die beschrijft hoe God de woestijn verandert in een tuin van de Heer:
De Heer troost Sion, hij biedt troost aan haar ruïnes. Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de Heer. Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich, waar muziek en lofzang klinken. (Jesaja 51: 3).
Ook hier heeft Rammler de volgorde gekruist: eerst de lofzang, dan de metamorfose. Sin und Kades zijn respectievelijk een woestijn en een oase.
Muziek.
Een da capo-aria (A-B-A) waarbij het B-deel door zijn 2/4 maat, andere muziek en eventueel door een ander tempo contrasteert met het A-deel in 6/4 maat. Het A-deel van de aria heeft de eenvoudige vorm van een coupletlied. De 2 vocale coupletten worden omlijst door vrijwel gelijkluidende instrumentale coupletten (ritornelli). Telemann zorgt voor afwisseling door het blokvormig gebruiken van verwante toonsoorten: 
ritornello (in A) - eerste vocale couplet (in A) - ritornello (in D) - tweede vocale couplet (in E) - ritornello (in A).
Het instrumentale ritornello ontleent zijn levendige antimetrische accenten aan de tekstplaatsing in de zangstem.
4. Choral.
Zwingt die Saiten in Kithara1
und laßt die süße Musica
ganz freudenreich erschallen,
daß ich möge mit Jesulein,
dem wunderschönsten Bräutgam2 mein,
in steter Liebe wallen.
Singet, springet3, jubilieret, triumphieret,
dankt dem Herren:
Gott ist der König der Ehren.
4. Koraal
Plukt de snaren op de citer
en laat de zoete muziek
vol vreugde klinken,
zodat ik bij de kleine Jezus
mijn wonderschoonste bruidegom,
kan zijn kokend van standvastige liefde.
Zing, dans, jubel, triomfeer,
dank de Heer,
God is de eervolle Koning.
Tekst en melodie: Philipp Nicolai, 1599.
Zwingt die Saiten in Kithara is de 6e strofe van het bekende kerstlied Wie schön leuchtet der Morgenstern.
1. in Kithara
Met de Kithara is bedoeld de harp uit de Statenvertaling, die in modernere bijbelvertalingen vaak wordt aangeduid met citer. De Latijnse wending in Kithara is een letterlijk citaat uit Psalm 150: 3, in de Vulgata-vertaling: laudate eum ...in psalterio et cithara ...
De door koraaldichter Nicolai geparafraseerde psalm 150 is door de prominente plaats die daarin wordt  toegekend aan muziek en (rei)dans door veel componisten op muziek gezet.
2. Jesulein, dem wunderschönsten Bräutgam mein
Zoals we dat kennen uit de Matthäus-Passion wordt Christus omschreven als de bruidegom in het mystieke huwelijk waarin de gelovige ziel de bruid is. Het beeld is afkomstig uit het Hooglied en de Openbaring.
7. springet
Zang en dans waren vroeger nog geen gescheiden disciplines. Zoals ook in psalm 150: looft Hem met handtrom en reidans.
5. Rezitativ. Alt en bas I.
Alt.
Der Löwe1a wiegt in seinen Klauen das kleine Lamm1b;
aus einer Hürde gehn die Kühe,
die Löwinnen und ihre Jungen spielen drinnen:
denn Schilo2 weidet, und sein Stab3 is sanft,
und seiner Nieren Gurt3 ist Friede.
Bas.
Die Bogen sind zerbrochen4a,
die Wagen4a sind verbrannt4b.
Die Schwerter fallen Saaten nieder;
des Kriegers Lanze steht und wurzelt in das Land
und strebet in die Luft
und wird ein Ölbaum wieder:
denn Schilo weidet,
und sein Stab is sanft,
und seiner Nieren Gurt ist Friede.
Recitatief.
Alt.
De leeuw wiegt het lammetje in zijn klauwen,
de koeien verlaten de omheining,
waarbinnen de leeuwinnen spelen met hun jongen:
de Messias is de herder, zijn staf is zacht,
en de gordel om zijn middel is vrede.
Bas.
de bogen zijn gebroken,
de strijdwagens zijn verbrand.
De zwaarden vallen als zaad neer
de lans van de krijger staat overeind en wortelt in de aarde
en streeft omhoog naar de lucht
en wordt weer een olijfboom:
de Messias is de herder,
en zijn staf is zacht,
en de gordel om zijn middel is vrede.
Jesaja 11. Een telg van Isaï.
1. Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels. 2. De geest van de heer rust op hem, een geest van wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor de heer. 3. Hij ademt ontzag voor de heer. Hij spreekt geen recht naar uiterlijke schijn en hij doet geen uitspraak op grond van loze geruchten; 4. hij geeft de geringen hun recht en de armen in het land krijgen een eerlijk vonnis. Hij kastijdt de verdrukkers met de roede van zijn mond en de slechte mensen doodt hij met de adem van zijn lippen. 5. Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen, en trouw als een gordel om zijn heupen. 6. De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden.
1a & 1b.
Der Löwe wiegt in seinen Klauen das kleine Lamm;
Eerst een Jesaja parafrase: 
Dan grazen de wolf en het lam eensgezind, de leeuw eet dan hooi zoals het rund, terwijl de slang zich voeden zal met het stof. Niemand zal nog kwaad doen of onheil stichten ... (Jesaja 65: 25).
2a. denn Schilo weidet.
Schilo (Ned. Silo) is een Hebreeuws woord uit de onderstaande profetische genesis-tekst uit. Men zal er in de meeste bijbelvertalingen vergeefs naar zoeken.
Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten,
totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. (Genesis 49:10)
In plaats van 'totdat hij verschijnt die hem leiden mag' kan men ook vertalen ‘totdat Silo komt’, in beide gevallen wordt verwezen naar een toekomstige Messiasfiguur. Bron: De Nieuwe Bijbelvertaling.
3. und sein Stab is sanft, und seiner Nieren Gurt ist Friede
sein Stab: de herdersstaf was een soort knuppel, een geducht wapen om zich te verdedigen tegen rovers en wilde dieren, maar is hier beschreven als een pacifistisch werktuig. Nieren Gurt, een gordel om het middel (lett. om de nieren) waar men zijn onderkleed mee samenbond, werd gebruikt om het zwaard of geld mee te dragen. In deze vreedzame context moeten we denken aan psalm 23 'De Heer is mijn herder':
Want naast mij gaat gij, uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn.
Maar ook Jesaja levert een goede match op:
Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen, en trouw als een gordel om zijn heupen. (Jesaja 11: 5).
4. Die Bogen sind zerbrochen, die Wagen sind verbrannt
De beelden zijn afkomstig uit de Messias-voorspelling van de profeet Zacharia, 'De komst van de Messias':
Jubel, dochter van Sion, juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt naar u toe, hij is rechtvaardig en zegevierend; hij is nederig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. Ik vaag de strijdwagens weg uit Efraïm, de paarden uit Jeruzalem; de strijdboog wordt gebroken.
Dan kondigt hij vrede aan onder de volkeren, en gaat zijn heerschappij van zee tot zee en van de Rivier tot de grenzen van de aarde. (Zacharia 9: 9-10)
die Wagen sind verbrannt
Het beeld van het verbranden van krijgstuig vinden we bij Ezechiel.
Dan komen de inwoners van Israël uit hun steden en steken de brand in de wapens: schild en rondas, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang stoken zij daarmee hun vuren. Ze hoeven geen hout van de velden te halen of in de bossen te kappen: al die tijd stoken zij hun vuren met die wapens. Ze plunderen hun plunderaars en beroven hun rovers – godsspraak van de Heer god. (Ezechiel 39: 9).
6. Duet en koor.
Alt.
Kehre wieder, holde Friede1!
Mache doch die Kreatur
wie sie war in Edens Flur2!
Ihrer Zwietragt ist sie müde.
Bas.
Kehre wieder, holde Friede!
Komm von deines Gottes Tron,
wo du vormals hingeflohn!
Unsrer Zwietragt sind wir müde.
Koor.
Erd' und Himmel sei, wie vor,
in des Allerhöchsten Ohr
ein Gesang, ein Chor2!
6. Duet en koor.
Alt.
Kom terug, nobele vrede!
Maak toch de schepselen
zoals ze waren in de Hof van Eden.
Ze (de vrede) is hun tweedracht moe.
Bas.
Kom terug, nobele vrede!
Kom van de troon van je god
waarnaar je ooit bent weggevlucht.
Wij zijn onze tweedracht moe..
Koor.
Aarde en hemel zij zoals vroeger,
in het oor van de Allerhoogste
een gezang, een koor!
1. Kehre wieder, holde Friede
De tekst richt zich niet tot God, maar tot Friede, die als een 18e eeuwse allegorische figuur wordt aangeroepen.
2. Mache doch die Kreatur wie sie war in Edens Flur!
Friede krijgt in de aanvoegende wijs de hoopvolle wens te horen dat de schepselen (mens èn dier, het is per slot voor rekening een pastorale) weer
zoals in het Paradijs vreedzaam zullen samenleven.
 Ja, der HERR tröstet Zion, er tröstet alle ihre Trümmer und macht ihre Wüste wie Eden und ihr dürres Land wie den Garten des HERRN, daß man Wonne und Freude darin findet, Dank und Lobgesang. (Jesaja 51: 3).
2. Erd' und Himmel sei, wie vor, in des Allerhöchsten Ohr ein Gesang, ein Chor.
Zweiter Teil.
7. Koraal.
Des dank ihm alle Christenheit
für solche große Güte,
und bitt'um sein' Barmherzigkeit,
daß er uns fort behüte
für falscher Lehr und bösem Wahn,
da wir ver diesem in gestahn,
er woll uns das vergevben.
Vater, Sohn und heilger Geist,
bitten von dir allermeist,
laß uns im Frieden leben.
 
8. Recitatief, bas.
Die Pestilenz darf ferner nicht in Finsternissen schleichen;
der heiße Mittag tötet nicht und sendet keine Seuchen1.
Jehova führet2 durch den Himmel und sieht sein seliges Geschlecht.
Unschädlich rollt sein eh'ner Wagen2
hoch über unsern Hauptern hin;
wir sehen Majestät und sagen:
"Im Himmel wird Jehova thronen,
und unser Schilo wird bei seinen Hirten wohnen".
8. Recitatief, bas.
De pest mag voortaan niet door het donker sluipen
de hete middag doodt niet meer en zendt geen besmettelijke plagen meer.
Jehova beweegt zich door de hemel en beziet zijn zalige geslacht.
Onschadelijk rolt zijn vroeger zo vervaarlijke wagen
hoog boven onze hoofden voort;
we zien de Majesteit en zeggen:
"In de hemel zal Jehova tronen,
en onze Silo zal bij zijn herders wonen''.
Tekst. 
1. Die Pestilenz darf ferner nicht in Finsternissen schleichen; der heiße Mittag tötet nicht und sendet keine Seuchen.
Een groot Godsvertrouwen spreekt uit Psalm 91, een bescherming tegen alle ziekten en plagen. Rammlers parafrase en het origineel uit de Lutherbijbel zijn bijna gelijkluidend:
Seine Wahrheit ist Schirm und Schild, ... daß du nicht erschrecken müssest ...vor der Pestilenz, die im Finstern schleicht, vor der Seuche, die im Mittage verderbt. (Psalm 91: 5-6, Luther Bibel, 1545)
2.
Jehova führet durch den Himmel ... Unschädlich rollt sein eh'ner Wagen hoch über unsern Hauptern hin;
Een vredig beeld van Gods wagen die vredig boven onze hoofden 'rolt', mogelijk ontleend aan Psalm 104 waarin God op de wolkenwagen door de hemel surft: Hij maakt van de wolken zijn wagen en beweegt zich voort op de vleugels van de wind. (Psalm 104: 3). Het Unschädlich duidt op het contrast met vroegere tijden toen Gods strijdwagens (sein eh'ner Wagen) schädlich waren, dood en verderf brachten. Men leze over die strijdwagens in Jesaja en Jeremia.  
9. Aria, tenor.
Schönstes Kind aus Juda Samen,
wachse bald1!
Das es bald ein Himmel werde,
dieses weite Rund der Erde,
dein gebenedeites Land.
Lobt, ihr Stummen! Hüpft, ihr Lahmen2a,
wie die Rehe durch den Wald!
Hört ihr Tauben, unsre Lieder!
Blinde2b, seht die Schöpfung wieder!
Schmerz und Plage sind verbannt3.
9. Aria, tenor.
Allermooiste kind uit Juda's stam,
groei snel op!
Dat het snel een hemel moge worden,
deze ronde wijdte van de aarde,
jouw gezegende land.
Juicht, stommen! Danst, lammen,
als een hert door het woud!
Hoort, doven, onze liedern!
Blinde, zie de schepping weer!
Pijn en ziekte zijn uitgebannen.
Tekst.
1. Schönstes Kind aus Juda Samen, wachse bald!
Juda is een andere voorvader van Jezus. Een vrijwel gelijkluidende wens wordt twee keer in de Ecloga van Vergilius geuit:
Wachse nun, kleiner Knabe, .... 060 incipe, parve puer, ...
2a.  Lobt, ihr Stummen! Hüpft, ihr Lahmen, wie die Rehe durch den Wald!
Alle beelden zijn afkomstig uit Jesaja 35, maar door Rammler chiastisch (gekruist) geparafraseerd:
Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme. (Jesaja 35:6)
2b. Hört ihr Tauben, unsre Lieder! Blinde, seht die Schöpfung wieder!
Dan worden de ogen van de blinden geopend en de oren van de doven geopend. (Jesaja 35: 5)
3. Schmerz und Plage sind verbannt.
Het laatste korte citaat komt uit Jesaja 35 dat we zo goed kennen uit Brahms' Requiem:
Die Erlösten des Hernn werden wiederkommen und nach Zion kommen mit Jauchzen; ewige Freude wird über ihrem Haupte sein; Freude und Wonne werden sie ergreifen, und Schmerz und Seufzen wird entfliehen. (Jesaja 35.10).
10. Koraal.
Wir Christenleut habn itzund1 Freud,
weil uns zu Trost
ist Gottes Sohn Mensch worden,
hat uns er erlöst.
 
Halleluja, gelobt sei Gott!
singen wir all aus unsers Herzens Grunde.
Denn Gott hat heut gemacht solch Freud,
der wir vergessen solln zu keiner Stunde.
10. Koraal.
Wij Christenen zijn nu verblijd
omdat tot troost van ons
Gods zoon mens geworden is,
hij heeft ons verlost.
 
Halleluja, geloofd zij God!
zingen wij allen uit de grond van ons hart.
Want God heeft ons vandaag zo'n vreugde bereid,
dat wij die nooit zullen vergeten.
Melodie: 1589; tekst: Kaspar Füger (1592). Telemann gebruikte de eerste en de vijfde strofe van dit lied.
1. itzund
Een oude woordvorm met dezelfde betekenis als het huidige jetzt.
11. Recitatief.
Alt.
Ach seht! das Kind erwacht.
Es strahlt ein Gott aus seinen Augen.
Ach, welch ein Gott1!
Er tritt auf Magogs2 Bach:
Blut klebt an seiner Ferse.
Sie stürzen in den Abgrund,
die Geister aus der alten Nacht3;
der Abgrund schließt sich hinter ihnen:
Die Welt ist rein, die Schöpfung lacht.
Bas.
Nein, keinen Erdensohn,
den erstgebornen Gottessohn
hat uns in dieser Mitternacht
der oberste der Seraphimen,
Eloa4, kund gemacht.
Wir lagen schaudernd auf dem Boden:
Urplötzlich ward es licht5.
Ein ganzes Heer verklärter Himmelssöhne6
stand auf der Luft und sang.
Vergeß ich dieses Liedes in meinem ganzen Leben:
So müsse meine Zunge an meinem Gaumen kleben7.
Stimmt an daß Lied der Oberwelt!
Damit es unser Held,
der neugeborne Heiland, höre.
11. Recitatief.
Alt.
Ach zie! het kind ontwaakt.
Er straalt een god uit zijn ogen.
Ach, welk een god!
Hij betreedt de beek van Magog:
bloed kleeft aan zijn hielen.
Ze storten in de afgrond,
de geesten uit de oude nacht;
de afgrond sluit zich achter hun:
de wereld is rein, de schepping lacht.
Bas.
Nee, geen zoon van de aarde,
(maar) de eerstgeboren zoon van God
is ons op dit middernachtelijk uur
door de hoogste van de engelen
Elohim, aangekondigd.
We lagen huiverend op de grond:
plotseling was het licht.
Een heel leger van van stralende
stond in de lucht te zingen.
Als ik dit lied ooit in mijn leven vergeet:
dan moet mijn tong aan mijn verhemelte kleven.
Heft het lied aan van de hogere wereld!
Opdat onze held,
de zojuist geboren heiland, het hoort.
Tekst.
1. Es strahlt ein Gott aus seinen Augen. Ach, welch ein Gott.
Terwijl met kerstmis in veel teksten de nadruk wordt gelegd op de menswording van God wordt het kind hier als een antieke held vergoddelijkt. Ecloga IV van Vergilius is misschien de bron:
Er wird Götterleben empfangen, er wird mit den Göttern
sehen die Helden gemischt, wird selbst unter ihnen erscheinen,
lenken wird er die befriedete Welt mit den Kräften des Vaters.
ille deum vitam accipiet divisque videbit
permixtos heroas et ipse videbitur illis
pacatumque reget patriis virtutibus orbem
2. Er tritt auf Magogs Bach: Blut klebt an seiner Ferse.
De persoon Gog (vaak samen genoemd met het land Magog) is een duistere heidense macht die als antichrist, als godvijandige macht het uit ballingschap teruggekeerde Israël aanvalt. Ezechiël beschrijft in hoofdstuk 38&39 hoe de Heer definitief afrekent met Gog. Dat laatste is een argument om God de Vader te beschouwen als de persoon die Rammler bedoelt met Er tritt auf Magogs Bach.
3. die Geister aus der alten Nacht
Een verwijzing naar duistere machten als Gog uit heidense (alt=oudtestamentisch?) tijden.
4. Eloa
Met Eloa is bedoeld het Hebreeuwse woord Elohim dat in het OT zeer veelvuldig wordt gebruikt, volgens huidig inzicht in de betekenis van God/goden. Hier kennelijk bedoeld als de engelfiguur.
5.Wir lagen schaudernd auf dem Boden: Urplötzlich ward es licht.
Aan het einde van zijn betoog komt Rammler uit bij het bekende kerstverhaal uit het Lucas-evangelie.
Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. (Lucas 2: 9).
Wir lagen: we moeten de bas als een herder zien.
6. Ein ganzes Heer verklärter Himmelssöhne stand auf der Luft und sang.
Een aankondiging van het slotkoor, de engelenzang uit Lucas:
Und alsbald war da bei dem Engel die Menge der himmlischen Heerscharen, die lobten Gott und sprachen:
Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden bei den Menschen seines Wohlgefallens. (Lucas 2:13-14)

7. Vergeß ich dieses Liedes in meinem ganzen Leben: So müsse meine Zunge an meinem Gaumen kleben.
Meine Zunge soll an meinem Gaumen kleben, wenn ich deiner nicht gedenke, wenn ich nicht lasse Jerusalem meine höchste Freude sein. (Psalm 137: 6).
Voor moderne luisteraars wordt de handeling en daarmee ook het tempo van de compositie vertraagd met een moralistisch psalmcitaat:
12. Koor.
Ehre sei Gott in der Höhe.
Friede auf Erden und alle Menschen einWohlgefallen!
 
Het koor zingt hier het Gloria in excelsis deo, de engelenzang uit het Lucas-evangelie.
 
Voetnoten.
1. Koraal. O Jesu parvule
Babstsche Gesangbuch 1545. Faksimiledruck Mit Einem Geleitwort Hrsg.Von Konrad Ameln.  
The 3rd edition of this fine reprint (1988) is still in print. The original title is Geystliche Lieder; it mentions the preface by Martin Luther and has Luthers's rhymed warning against "false masters". Unpaginated, with magnificen woodcut illustrations and 14 pages of commentary by the editor.
(Documenta Musicologica. 1 Reihe, No. 38) Kassel: Baerenreiter ©1966 16 cm. Edition #/ISBN: 3761809093       terug
 
De tekst O puer optime, Trahe me post te, trahe me post te, Al in dijns vaders rike, o princeps gloriae vond ik toevallig in een boek van Martien J.G. de Jong, Kerstfeest in de Middeleeuwen, Davidsfonds /Leuven. De door hem vermelde versie van O dulci jubilo met is afkomstig uit een 15e eeuws handschrift, afkomstig uit het Windesheimer klooster 'Ter Noot Gods' in Tongeren, nu in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.     terug
 
Genealogie van Jezus.  
Dat Jezus een directe afstammeling van David zou zijn blijkt uit de geslachtslijst aan het begin van het Matteüs-evangelie:
Afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. Abraham was de vader van Isaak, Isaak van Jakob, Jakob van Juda en zijn broers. Juda was de vader van Peres en Zerach en Tamar was hun moeder. Peres was de vader van Chesron, Chesron van Aram, Aram van Amminadab, Amminadab van Nachson, Nachson van Salmon. Salmon was de vader van Boaz en Rachab was zijn moeder. Boaz was de vader van Obed en Ruth was zijn moeder. Obed was de vader van Isaï, Isaï van koning David. (Matteüs 1:1-6) 
Vaak genoemde voorouders van Jezus zijn Abraham, Jakob, Juda en Isaï / Jesse, die de vader van David was. De iconografie van deze stamboom van Jezus levert vele Bomen van Jesse op die in de late middeleeuwen zijn afgebeeld
 
Bijbelse strijdwagen
Een mooi beeld van de wrekende God met een strijdwagen vinden we bij Jesaja:
Want kijk, de heer komt met vuur, zijn wagen is als een orkaan. Hij komt om zijn toorn in een gloed uit te vieren, zijn bedreiging met laaiende vlammen. (Jesaja 66: 15).
Een vergelijkbnaar beeld biedt Jeremia:
Siehe, er fährt daher wie Wolken, und seine Wagen sind wie ein Sturmwind, seine Rosse sind schneller als Adler. (Jeremia 4: 13, Luther Bibel, 1545).
terug
 

 

 

 

Jesaja 11. Een telg van Isaï.
1 Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels.
2 De geest van de heer rust op hem, een geest van wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor de heer.
3 Hij ademt ontzag voor de heer. Hij spreekt geen recht naar uiterlijke schijn en hij doet geen uitspraak op grond van loze geruchten;
4 hij geeft de geringen hun recht en de armen in het land krijgen een eerlijk vonnis. Hij kastijdt de verdrukkers met de roede van zijn mond en de slechte mensen doodt hij met de adem van zijn lippen.
5 Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen, en trouw als een gordel om zijn heupen.
6 De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden.

3 Bald wird man Ströme Milch auf allen Auen sehen
En op die dag zal het gebeuren, dat de bergen van druivennat druipen, dat de heuvels stromen van melk, dat al de waterlopen van Juda een overvloed aan water hebben, want uit het huis van de heer zal een bron* ontspringen, die het dal van de acacia’s bevloeit. (Joel 4: 18)
Aus hohlen Weiden an den Bächen / Rinnt Honig in die Fluth.

 

Ovidius' Metamorphosen (Liber Primus)
Vier Tijdperken
 
De gouden tijd, het eerst gezaaid, heeft zonder
wraak of wet zelf trouw en recht bewaard.
Geen straf of angst: geen dreigende woorden stonden
gegrift in brons, geen angstige massa staart
de rechter aan -men leefde veilig zonder.
Geen den gekapt uit zijn bergen voor de vaart
naar vreemde landen was naar zee gekomen;
van geen kust dan eigen land omzoomend
hadden de stervelingen nog kennis genomen.
Geen grachten ringden nog de steile steden,
geen tuba was er of kromme hoorn van brons,
geen helm, geen zwaard. Zonder soldaten gleden
veilig volken door een tijd van dons.
Aarde zelf, nog ongedeerd, verwond
door hak noch ploegen, gaf vanzelf en alle
spijt voldeed die ongekweekt ontstond:

de bergbes, moerbei van de boom gevallen,
werd gezameld, gedoornde braam, kornoelje,
Jupiters eikels van gespreide bomen.
Eeuwig was de lente, met een lome
bries streek Zephyr over al dit groeien
zonder zaad, dit eindeloze bloeien.
Spoedig droeg de ongeploegde grond
ook graan:
akkers vol zwangere korenaren
ruisten onbewerkt. Rivieren waren
er van melk, rivieren van nectar; blond
viel honingdruppel van de groene eiken.

Toen Saturnus naar het duister wijken
moest vanTartarus, nam Jupiter
de wereldheerschappij en kwam in leven
het geslacht van zilver, dat wel ver
staat onder goud, maar hoger is verheven
dan blond brons. De oude lentetijd
heeft hij beperkt, met winters, zomers, oneven
hefsten, en met voorjaars kort respijt
het jaar van vier seizoenen ingeleid.
Toen gloeiende lucht voor het eerst van droge hitte,
hingen kegels ijs in kille wind.
Toen ging de mens voor het eerst in huizen zitten:
een grot is huis, en struikgewas, men bindt
met bast de twijgen. Toen voor het eerst zijn zaden
graan van Ceres in de voor geploegd,
heeft onder het juk de loeiende os gezwoegd.
Het derde, bronzen geslacht, tot wapendaden
huiverwekkend innerlijk meer geneigd,
maar niet misdadig, volgt. Het laatst het geduchte
ijzer: die tijd van kwader ertsen krijgt
terstond een golf van misdaad: dadelijk vluchten
waarheid en respect en trouw om voor
de fraude plaats te maken, listen, lagen
en geweld -schandalig dringt de hebzucht door.
Ze hesen zeil -geen schipper wist van vlagen
wind-, wat lang op bergen stond verdween,
was kiel, op nieuwe golven dansend gedragen.
De grond, voorheen als licht en lucht gemeen
is door de meter afgepast, getekend
met lange grenzen. Land moest niet alleen
rijk voedsel geven -daar werd op gerekend-
men ging het ingewand van aarde in.
Wat zij verborgen had, naar Styx geschoven,
werd nu uitgegraven schat, begin
van kwaad. Het schadend ijzer was al boven,
nog schadender dan ijzer ook het goud,
en op kwam de oorlog die strijdend met die beide
kletterende wapens in bloedige handen houdt.
Men leeft van roof, de gast moet gastheer mijden,
schoonvader schoonzoon, broer kent broer haast niet,
en man gaat vrouw, zij gaat haar man belagen,
stiefmoeder mengen gele akoniet,
zoon vraagt vóór de dag naar vaders dagen,
respect ligt geveld. Van bloedige aarde ging
de Maagd Astraea als laatste hemeling.

In I Samuël staat het beroemde verhaal van David die telkens als de demon Saul lastig viel de citer nam en Saul met muziek kalmeerde.

 

Psalm 91
Onder de hoede van de Hoogste
[1] Wie onder de hoede van de Hoogste woont, wie in de schaduw van de Almachtige vertoeft [2] mag zeggen tegen de heer: ‘Mijn toevlucht,
mijn vesting, mijn God, in U stel ik vertrouwen.’ [3] Ja, Hij bevrijdt je uit het vogelnet, uit alle dreigende gevaren. [4] Hij dekt je toe met zijn vleugels,
onder zijn veren mag je schuilen, als een schild staat zijn trouw om je heen. [5] Je hoeft niet bang te zijn voor de verschrikking van de nacht,
of de pijl die suist overdag, [6] of voor de pest die rondwaart in het donker, of voor de moordende plaag van de middag. Psalm 91
Psalm 104
De aarde is vervuld van uw kunstenaarschap
[1] Prijs de heer, o mijn ziel. heer mijn God, U bent machtig groot, met pracht en met verhevenheid omkleed. [2] Hij gaat gehuld in een mantel van licht, Hij heeft de hemel als zijn tentdak gespreid, [3] zijn zalen op het water gebouwd. Hij maakt van de wolken zijn wagen en beweegt zich voort op de vleugels van de wind
Jezus Sirach 49?
 [15] Want kijk, de heer komt met vuur, zijn wagen is als een orkaan. Hij komt om zijn toorn in een gloed uit te vieren, zijn bedreiging met laaiende vlammen.