Tsjaikovsky, over de vierde symfonie.

De drie late symfonieën van Tsjaikovsky zijn programma-symfonieën in de traditie van de Symphonie Fantastique van Berlioz en de symfonische gedichten van Liszt. Voor programmamuziek geldt dat een verklarende tekst, het 'programma', dat van de componist zelf is maar soms een reeds bestaande tekst van een ander kan zijn, de luisteraar helpt het stuk beter te doorgronden. Tsjaikovsky's vierde is een noodlots-symfonie, waarin in het eerste deel de mens vecht tegen zijn lot dat hij niet kan ontlopen omdat het noodlot onafwendbaar is. De middendelen 2 en 3 zijn zoals gebruikelijk intemezzi. Het vierde deel is meer dan een uitgelaten feestroes. Ik zou de het willen beschouwen als de manische vrolijkheid die aan depressiviteit vooraf gaat. Het aanstekelijke van de finale van de 4e symfonie is dat die depressiviteit niet komt.

Dit is het programma zoals Tsjaikovsky dat in een brief aan Nadezdja von Meck openbaarde:

“Onze symfonie heeft een boodschap. Dat wil zeggen, het is mogelijk de inhoud in woorden tot uitdrukking te brengen en ik zal jou, als enige, vertellen wat het hele werk betekent en wat de inhoud is van de verschillende delen. Natuurlijk kan ik je dit alleen in grote lijnen duidelijk maken. De inleiding is de kiem, het basisconcept van het hele werk. Dit is het lot, de onontkoombare macht die ons streven naar geluk frustreert voordat we ons doel hebben bereikt, en er met een jaloers oog op toeziet dat onze vrede en ons geluk niet al te volmaakt en zonnig zijn. Het is een macht die ons, als het zwaard van Damocles, voortdurend boven het hoofd hangt en de ziel altijd bitter stemt. Je kunt er niet aan ontkomen en er ook nooit van winnen. Je kunt niets anders doen dan je onderwerpen en je in stilte beklagen.

Het gevoel van totale wanhoop wordt steeds sterker en doordringender. Kan men zich niet beter van de werkelijkheid afkeren en zich overgeven aan dromen? O, wat heerlijk ik zink weg in een zoete en tedere droom. Een heldere, vredige verschijning leidt mij verder. Wat prachtig! Hoe ver weg klinkt nu het thema van het eerste allegro. Steeds verder verliest de ziel zich in dromen. Alle duisternis en narigheid is van hem afgevallen. Dit is geluk! Het is maar een droom en wreed wekt het lot ons.

In het hele leven wisselen de grimmige waarheid en vluchtige dromen van geluk elkaar af. Er bestaat geen hemel. Wij worden door de golven her en der meegevoerd totdat de zee ons verzwelgt. Dit is zo ongeveer de inhoud van het eerste deel.

Het tweede deel gaat over een andere lijdensfase. Nu is het de melancholie die over ons komt wanneer we ’s avonds alleen thuis zitten, moe van het werken, terwijl het boek dat we ter verstrooiing gepakt hebben per ongeluk uit onze handen glijdt. Allerlei herinneringen aan vroeger wellen bij ons op. Wat treurig is het te bedenken hoeveel al voorbij is en nooit meer terugkomt. Toch zijn deze herinneringen aan onze jeugd zoet. We bezien het verleden met spijt hoewel we noch de moed, noch het verlangen hebben een nieuw leven te beginnen. We zijn nogal moe van het leven. We zouden graag wat rusten en op ons leven terugkijken terwijl we ons van alles herinneren. Eens stroomde het bloed ons warm door de aderen en was het leven goed voor ons. Ook waren er momenten van verdriet, van een onherstelbaar verlies. Dat is allemaal al zo lang geleden. Wat is het droevig maar toch heerlijk ons daarin te verliezen!

In het derde deel worden geen bepaalde gevoelens vertolkt. Hierin vinden we alleen speelse arabesken, ongrijpbare vormen die een man voor zich ziet wanneer hij wijn heeft gedronken en opgewonden is. Hij is niet blij en niet bedroefd. Hij denkt eigenlijk nergens aan. Hij laat zijn fantasie de vrije loop en hij heeft de meest bizarre visioenen. Plotseling welt uit zijn geheugen het beeld op van een aangeschoten boer en een straatliedje. Van verre klinkt het geluid van een militaire kapel. Dit soort verwarde beelden schieten door ons brein wanneer we in slaap vallen. Ze hebben niets te maken met de werkelijkheid, maar zijn gewoon onsamenhangend, vreemd en bizar.

Dan het vierde deel. Als het allemaal tegenzit, kijk dan naar de anderen. Ga naar de mensen toe. Kijk hoe zij van het leven kunnen genieten en zich helemaal kunnen overgeven aan het feestvieren. De sfeer van een vakantie op het platteland wordt opgeroepen.

Nauwelijks hebben we ons van onze problemen kunnen bevrijden door mee te maken hoe andere mensen zich amuseren, of het onvermoeibare lot kruist ons pad weer eens. De anderen schenken geen enkele aandacht aan ons. Nog geen blik keuren ze ons waardig, ze staan er niet bij stil dat wij eenzaam en bedroefd zijn. Wat zijn ze allemaal vrolijk en blij! Hun gevoelens zijn zo ondoordacht en zijn zo simpel. En jij wilt volhouden dat de wereld een tranendal is? Geluk bestaat, simpel en onbedorven. Wees blij met de anderen. Dat maakt het mogelijk te leven.

Meer, beste vriendin, kan ik je over de symfonie niet vertellen. Mijn beschrijving is natuurlijk niet erg helder en volledig, maar dat is nu juist het bijzondere van instrumentale muziek, we kunnen haar niet analyseren. Heine zei: ‘Waar woorden tekort schieten, begint de muziek’.”

 

In onderstaand artikel maak ik een descriptieve analyse van de vorm. We zullen telkens de vormanalyse terugkoppelen aan Tsjaikovsky's programma.

I. Andante sostenuto. Moderato con anima.

De symfonie valt met de deur is huis met het noodlots-thema. Het streeft in maat 3-5 omhoog van de as, naar de bes, naar de c om vervolgens in een vrije val (overigens gewoon een dalende toonladder) de afgrond te duiken:

                                                                                                                                

Dit is meer dan zo maar een inleiding. Hier wordt de toon gezet van het alles bepalende noodlot. Dan volgt een uitgebreide sonatevorm met eerst het hoofdthema, een grootse achtmatige melodie, die ik zou willen omschrijven met 'lijden aan het leven en dromen over verlossing'. Dit muzikale gedachtencomplex bepaalt in wezen het hele eerste deel:

Belangrijk element in deze melodie zijn de dissonante 'voorhoudingen', dalende en stijgende meestal kleine maar soms ook grote secundes, sinds de tijd van Monteverdi een uitdrukking van smart:  

                                                                                             

Maar daarmee is niet alles gezegd. Tsjaikovsky schrijft in zijn karakteraanduiding In movimento di Valse, waarmee de muziek ook getypeerd is in zijn dansachtig karakter.

Het eerste deel is zeer doorwrocht van constructie. Dominant aanwezig is één melodisch en ritmisch motief, afgeleid van het noodlotsthema, in vele varianten:

                     Melodisch motief. Ritmisch motief.

 

Een contrasterend element vormt de tweede themagroep, met luchtige sierlijkheid en een balletachtige sfeer. Wat we daar het eerst van horen zijn de gracieuze omspelingen van het eigenlijke zangerige 2e thema . Als dat iets later inzet (maat 127) klinkt het in een wonderbaarlijke combinatie met de eerder gehoorde omspelingen. Hier toont zich Tsjaikovsky een meester in het bedenken van begeleidende tegenmelodieën in een totaal ander karakter, men spreekt wel van ornamentaal contrapunt:

       

Voor de tweede themagroep geldt Tsjaikovsky's beschrijving: Kan men zich niet beter van de werkelijkheid afkeren en zich overgeven aan dromen? O, wat heerlijk ik zink weg in een zoete en tedere droom. Een heldere, vredige verschijning leidt mij verder. Wat prachtig! Hoe ver weg klinkt nu het thema van het eerste allegro. Steeds verder verliest de ziel zich in dromen. Alle duisternis en narigheid is van hem afgevallen. Dit is geluk!

Maar dat is voor de gekwelde laat-romanticus te mooi om waar te zijn. Tsjaikovsky vervolgt: Het is maar een droom en wreed wekt het lot ons.

In de nu volgende dromerige overgang worden elementen uit de tweede themagroep (violen) tegenover het eerste thema (houtblazers) geplaatst.

De inzet van de slotgroep is herkenbaar aan een heroïsch hoornthema:

         

Na de expositie volgen de gebruikelijke doorwerking en in de tragische climax volgt de reprise. Aan het einde van de reprise maakt de muziek een korte wending naar majeur. Vanuit de tonaliteit f-mineur van het hele eerste deel gedacht zou mede gezien de prominente rol van het noodlot een wending naar F-majeur het bevrijdende moment kunnen zijn. Maar de majeur-muziek is zo geagiteerd dat van opluchting geen sprake is en de chromatische dalende lijn in de derde maat voorspelt ook niets goeds:

 

Integendeel, het noodlot meldt zich weer in alle hevigheid: fff (fortississimo), het begin van het Coda.

Daarop zet een troostrijke melodie in (fluiten en klarinetten), alsof het noodlot overwonnen is:

  Bij nadere beschouwing blijkt dit thema afgeleid van het noodlots-thema:

 

Een troostrijk verschiet, te mooi om waar te zijn. De geagiteerde passage die hierop volgt is het alsof de symfonische held rennend een vergeefse poging doet die troost vast te grijpen:

Vergeefs, want meteen meldt zich het noodlots-thema in de koperblazers met dit motief:

Waarop de symfonische held zich nog eenmaal in opperste wanhoop uit met het thema van het 'lijden aan het leven en dromen over verlossing'. Maar zijn lot is bezegeld en het deel sluit af met een onstuimig maar vooral ook weerbarstig en somber f-mineur.

II. Andantino in modo di canzona.

Het tweede deel is geschreven in een liedvorm A-B-A. De beide hoofdthema's a en b zijn makkelijk herkenbaar en worden veelvuldig herhaald.

Het deel begint zonder inleidende formules meteen met het eerste thema (1a), een prachtige hobosolo, met een simpele pizzicato begeleiding:

Voor deze melodie geldt in hoge mate Strawinsky's waarneming dat Tsjaikovsky een van de weinige componisten was met de bijzondere gave om prachtige melodieën te bedenken. De melodie wordt zonder enige wijziging herhaald door de celli. Typerend voor Tsjaikovsky's componeren zijn de contrastmelodieën in de klarinetten en de fluiten, het ornamentaal contrapunt waarvan al eerder sprake was. Men kan ook zeggen: het onveranderlijke thema wordt aan steeds nieuwe achtergrondvariaties onderworpen.
 
Dan volgt een voortzetting met het karakter van een hoofse dans:
 
 
 
Dit voortzettings-thema (1b) wordt in tegenstelling tot het onveranderlijke hoofdthema (1a) gebruikt voor melodische en harmonische ontwikkeling, zoals in de laatste 2 maten van bovenstaand voorbeeld al te zien is.
 
 
Het tweede thema, in een hoger tempo, heeft een boertig danskarakter:

 

Bij de terugkeer van het hoofdthema in de violen wordt het thema weer onveranderd gespeeld, versierd met een zeer gracieus houtblazers motiefje:
 
Na het hoofdthema volgt weer de voortzetting (1b) en nu volgt een afsluitend gedeelte: epiloog of coda. Tsjaikovsky heeft daarin nog een aantal subtiele compositorische verrassingen in petto. De luisteraar heeft het hoofdthema (1a) steeds onveranderlijk gehoord
 
III. Scherzo. Pizzicato ostinato.
In dit horen we de strijkers pizzicato, de houtblazers en de kopergroep in grote blokken na elkaar. Het deel is ontleent zijn overrompelende 'schwung' (los van de fantastische compositorische kwaliteit van de gekozen noten) aan het perpetuum mobile effect in de strijkers: er is een constante reeks van achtste noten, het 'ostinato' waar de bovenstaande titel naar verwijst.. Het principe is steeds dat waar een partij stil valt de andere spelersgroepen die stilte opvullen met achtsten. De opbouw is meesterlijk gecalculeerd: Tsjaikovsky begint met incidenteel de kleinste stilte van één achtste rust. In het onderstaand voorbeeld wordt die korte onderbreking in de eerste vioolpartij steeds opgevuld met dezelfde c in de tweede violen:
Later in dit gedeelte speelt Tsjaikovsky een geraffineerd spel met de 5 strijkersgroepen als die korte achtsten-motiefjes spelen en daarna stilvallen. Maar ze geven de beweging aan elkaar door in een virtuoze estafette waarbij het rimisch ostinato bewaard blijft:
Het muziekplezier spat er ook bij het lezen van de partituur van af. Het is ook geweldige Augenmusik zoals de Duitser het noemt.
 
Dan volgen in tempo meno mosso de 8 houtblazers, aangekondigd door de hobo, en even later als verrassing, de nog niet gehoorde piccolo:
 
 
Een goed moment om de beschrijving van de componist erbij te halen:
In het derde deel worden geen bepaalde gevoelens vertolkt. Hierin vinden we alleen speelse arabesken, ongrijpbare vormen die een man voor zich ziet wanneer hij wijn heeft gedronken en opgewonden is. Hij is niet blij en niet bedroefd. Hij denkt eigenlijk nergens aan. Hij laat zijn fantasie de vrije loop en hij heeft de meest bizarre visioenen. Plotseling welt uit zijn geheugen het beeld op van een aangeschoten boer en een straatliedje. Van verre klinkt het geluid van een militaire kapel. Dit soort verwarde beelden schieten door ons brein wanneer we in slaap vallen. Ze hebben niets te maken met de werkelijkheid, maar zijn gewoon onsamenhangend, vreemd en bizar.

Dan zet de kopergroep in met dezelfde themakop als de strijkers maar met subtiele ironie in een onbeholpen half tempo:

             Het snelle pizzicato-thema.                    Het half tempo van de kopergroep.

Hierna volgt nog een complete herhaling van het pizzicatogedeelte; het is te goed om niet een tweede keer te spelen en te beluisteren. Nieuw is het opsplitsen van de melodieën in korte motieven die over de drie groepen (strijkers, hout, koper) worden verdeeld waarbij de melodieën opnieuw worden samengevoegd door de groepen in snelle afwisseling te laten spelen.

IV. Finale

De finale begint overrompelend. Het is alsof er een deur van een danszaal openzwaait waardoor je vanuit de stille buitenwereld opeens midden in een bruisend feest belandt:

 
Dit feestthema (1a) is nog maar nauwelijks begonnen of het wordt als het ware geïnterrumpeerd door een contrasterend tweede thema. Het is een bekend Russisch volksliedje, het berkenliedje (thema-2). We vinden het onder andere in de vermaarde collectie met 100 Russische Volksliederen van Rimski-Korsakov 1.
Dit liedje moet voor Tsjaikovsky teweeg brengen wat hij omschreef als: 'De sfeer van een vakantie op het platteland'? Dit berkenliedje zet 'voor zijn beurt' in, want het feestthema 1-a was amper begonnen en nog lang niet uitgeraasd. Het lijkt alsof Tsjaikovsky's alter ego ons vermaant: je hoeft je niet in het stadse feestgedruis te storten en jezelf daarin verliezen, je kunt ook rust zoeken op het platteland en daar tot bezinning komen? 2

In Tsjaikofsky's eigen beschrijving: 'Dan het vierde deel. Als het allemaal tegenzit, kijk dan naar de anderen. Ga naar de mensen toe. Kijk hoe zij van het leven kunnen genieten en zich helemaal kunnen overgeven aan het feestvieren. De sfeer van een vakantie op het platteland wordt opgeroepen.'

De landelijke sfeer landelijke

 
Het slotdeel van de symfonie heeft een liedvorm: A1-B1-A2-B2-A3 . Elke vorm van Beethoveniaanse doorwerking ontbreekt.
Deel I. A1 bestaat uit een thema-a met een voortzetting thema-b en nog wat motieven. Beide B-groepen B1 en B2 zijn gebaseerd op één thema-c
Het finalethema (thema-a, hierna te noemen het 'feest-thema') met z'n wervelende toonladderfiguren is ongetwijfeld de feestroes waar Tsjaikovsky over schreef:
 
Maar de geagiteerde toonladders van het 'feestroes-thema' (a) dringen aan, het berkenliedje wordt al snel volledig overruled waarop het 'feestthema' het overneemt en  wordt voortgezet met een uitbundig 'dansthema' (thema-b):
 
 

Er komen nog twee betekenisvolle motieven voorbij, een dalende baslijn (fagotten, trombone&tuba, celli&bassen):

   

en een triolenmotief (we noemen de triolen in Lisztiaanse zin Inferno-triolen):

   

Het feestgedruis stopt abrupt en weer zet het berkenliedje in ( B1), dat in een reeks variaties wordt herhaald. Wij noemen deze eerste keer met het thema eenstemmig in hobo en fagot in octaven variatie-1:

 
In de volgende 3 variaties is de melodie is onveranderlijk, maar krijgt steeds een andere kleur en een andere begeleiding.
variatie-2: thema tweestemmig in fluiten, klarinetten en fagotten in octaven; snelle toonladders in de strijkers;
variatie-3: thema  in de hoorns, vierstemmig geharmoniseerd in trombones&tuba, tegenmelodie in kwarten in de violen;
variatie-4: thema eenstemmig in de trombones&tuba, geagiteerde zestienden (tweestemmig) in hout en strijkers.
In de tweede reeks variaties gebruikt Tsjaikovsky de techniek van de thema-transformatie van Liszt, waarbij de intervalafstanden en de ritmische structuur het karakter van het thema ingrijpend gaan veranderen.
variatie-5: een kleine melodische verandering, de c wordt ces (hobo-1). Door de verrassende harmonisatie krijgt het liedje een nieuwe melodische betekenis.
 
 
 
variatie-6: er worden 2 nieuwe motieven gevormd uit het liedje door ritmische veranderingen en een andere, gecomprimeerde intervalstructuur:
 
 

Dat leidt dan tot een krachtig nieuw thema - de oorspronkelijke thema-kop in de verbreding en de voortzetting in een geagiteerde versnelling:

 

variatie-7: het berkenliedje wordt  nog1 keer voor alle duidelijkheid gespeeld en meteen getransformeerd tot een motief van acht snelle zestienden die in een virtuoos spel van afwisselend strijkers en houtblazers:

Deze zestienden vormen een naadloze overgang  het tweede deel, de Reprise, die begint (A2) met een letterlijke herhaling van het 'feestthema'. Maar zonder dat het berkenliedje het feestthema in de rede valt, want dat liedje is genoeg aan bod gekomen. Het B2 - gedeelte is weer een reeks variaties op het thema.

variatie-1: een volledige omvorming van de melodie, zonder dat de herkenbaarheid is afgenomen:

 

variatie-2: dezelfde melodie als variatie-1 maar met een typisch Tsjaikovskiaanse tegenmelodie in de fluit, men spreekt wel van ornamentaal contrapunt

 
 

variatie-3: een nieuwe melodie-variant omspeeld door de fluit.

variatie-4: een canonische variatie waarbij de melodie in twee stappen wordt ingekort tot een motief. agitato De canonische beantwoording komt steeds sneller.

variatie-5: de laatste variatie waarbij het berkenliedje in canon klinkt in het koper met het vierzestienden-motief in hout en strijkers. In de climax klinkt plotseling het noodlotsthema waar de symfonie mee begint. Wat na de laatste vermaning van het noodlot gebeurt is prachtig en zeer menselijk. In het orkest klinken een paar diepe zuchten, en vanuit

 

Tchaikovsky, Brown, David

The Early Years: 1840-1874

The Crisis Years: 1874-1878

The Years of Wandering 1878-1885

The Final Years 1885-1893

R-K 39

   

 

Voetnoot 2. 
Een programmatische compositorische denkwijze die ontleent is aan de Symphonie Fantastique van Berlioz. Daar probeert de aan een onbereikbare liefde lijdende symfonische held in de roes van een bal (het tweede deel) zijn liefde te vergeten en als dat niet lukt vrede in zichzelf te vinden in de natuur (het derde deel).
Terug naar waar je was.