Tsjaikofsky-5, programmatoelichting voor de 2 jubileum-concerten van Krashna Musika op dinsdag 12 juni en donderdag 14 juni 2012. © Daan Admiraal, 2012.

Tsjaikofsky heeft zich tijdens het componeren ťťn keer duidelijk over de programmatische opzet van de vijfde symfonie uitgesproken:
 
        Intr(oductie). Totale onderworpenheid aan het noodlot, of, en dat is hetzelfde, de ondoorgrondelijke plannen van de Voorzienigheid.
        Allegro. 1) Gemurmel, twijfels, geweeklaag, verwijten tegen ...XXX
        II. Zal ik mezelf in de omhelzing van het geloof werpen???
        Een schitterend programma, was het maar zo dat het kan worden uitgevoerd.
 
Maar later sprak Tsjaikofsky over een symfonie zonder programma. Ik sluit me graag aan bij dat laatste standpunt. De symfonie kan worden beschouwd als absolute muziek met een programmatisch motto.
 
Deel-1.
De Totale onderworpenheid aan het noodlot of de Voorzienigheid waar de componist over spreekt wordt verklankt met een onvergetelijke melodie, het is de lange weemoedige solo voor de lage klarinetten waar de symfonie mee begint:
 
Deze melodie (hierna steeds genoemd het 'mottothema') zal in alle vier de delen terug komen als de alles verbindende psychologische referentie.
Tsjaikovskys programmatische toelichtng bij zijn vierde symfonie is ook zeer toepasbaar op het motto-thema van de vijfde:
De inleiding is de kiem, het basisconcept van het hele werk. Dit is het lot, de onontkoombare macht die ons streven naar geluk frustreert voordat we ons doel hebben bereikt, en er met een jaloers oog op toeziet dat onze vrede en ons geluk niet al te volmaakt en zonnig zijn. Het is een macht die ons, als het zwaard van Damocles, voortdurend boven het hoofd hangt en de ziel altijd bitter stemt. Je kunt er niet aan ontkomen en er ook nooit van winnen. Je kunt niets anders doen dan je onderwerpen en je in stilte beklagen.
Alleen is de rol van het noodlot in de vierde - Je kunt er niet aan ontkomen en er ook nooit van winnen - in de vijfde totaal anders.Want in de vijfde keert het motto-thema in e mineur in het laatste deel terug in een triomfantelijk E majeur, eerst in het lage register maar later in stralende hoogten. In de optimistische vijfde zijn de dramaturgische rol van het motto-thema en de emotionele spanningsboog als volgt samen te vatten: van mineur naar majeur, van sombere laagten naar stralende hoogten, van duisternis naar licht, van bitterheid naar de sterren, zoals de Romeinen dat al al zeiden: per aspera ad astra.
 
Maar het motto-thema heeft naast zijn dramaturgische betekenis ook een andere betekenis, het is de muzikale kiem van de symfonie. Alle melodieŽn zijn namelijk afgeleid van de belangrijkste melodische contouren van het motto-thema, namelijk twee dalende reeksen van 4 noten (tetrachorden) en een dalende reeks van 6 noten (hexachord):
 
De thema's van de symfonie hebben in al hun verscheidenheid een onderliggende eenheid, omdat ze zijn afgeleid van die ene kiem. Daarmee betoont Tsjaikofsky zich een navolger van Liszt die zelf veel gebruik maakte van de techniek van de 'thema-transformatie'.
 
Deel 1. Andante. Allegro con anima.
Na de de langzame inleiding (Totale onderworpenheid aan het noodlot) lijkt de beklemming verbroken. Er volgt namelijk een uitermate levendig Allegro con anima dat gedomineerd wordt door dansende melodieŽn en sprankelende dansritmes. Men zou de vijfde met goede redenen een dans-symfonie kunnen noemen.
Het eerste thema is (op de opmaat c na) gebaseerd op het tetrachord a-g-fis-e
Strawinsky zei ooit dat Tsjaikofsky een van de weinige componisten was met de gave van de melodie. Dat geldt zeker ook voor het tweede thema, waar in de violen een pijnlijke maar ook zoete smart klinkt. En heel karakteristiek: Tsjaikofsky bedacht vaak de meest prachtige tegenmelodieŽn, hier in de houtblazers:
 
 
Het deel eindigt somber in de allerlaagste noten van fagot, celli en bassen met onheil in de pauken.
 
Deel 2. Andante cantabile, con alcuna licenza.
Het langzame tweede deel in een grote ABA-vorm begint met een van de mooiste hoornsolo's uit de romantische orkestmuziek. Het hexachord in b-klein:
 laat zien dat de hoornmelodie een afgeleide is van het motto-thema:                          
 
Het tweede thema, een tere hobosolo, is door Tsjaikovsky zelf treffend omschreven als 'een lichtstraal'. Wij kunnen de uitspraak van de componist Zal ik mezelf in de omhelzing van het geloof werpen??? moeilijk in de muziek terug horen.
Het contrasterende B-deel in een vlugger Tempo con anima begint met een klarinet-solo, die spoedig door houtblazers en strijkers wordt overgenomen. Dan meldt zich het noodlotsthema in de trompetten, waarop de reprise van het A-deel inzet met pizzicati in de strijkers en de hoornsolo, nu gespeeld door de violen. Het deel eindigt met een pianissimo klarinetfrase boven een strijkersaccoord, absolute klankmagie.
3. Valse. Allegro moderato.
Tsjaikofsky is een van de grote 19e eeuwse meesters van de wals. Enkele van zijn beroemdste walsen zijn de Bloemenwals uit de Notenkraker, de wals uit de Serenade voor strijkers en zo je wilt, de wals in 5/4 maat uit de zesde symfonie. Dit deel heeft als grote vorm Wals-Scherzo-Wals. Zoals ook bij Johann Strauss gebruikelijk horen we in  het eigenlijke wals-deel een sequens van walsmelodieŽn, het zijn er drie: a-b-c. Gezien de grote eenheid van het muzikale materiaal zal het niet verbazen dat ook het belangrijkste walsthema-a afkomstig is van het hexachord uit het motto-thema. De melodie is gratieus en doordrenkt met een aangename melancholie:

Walsmelodie-b is gebaseerd is op een Florentijns lied, Pimpinella, dat Tchaikowsky pas had gehoord tijdens een bezoek aan Florence:

De derde walsmelodie-c is een fagotsolo, herhaald door de hoge houtblazers, heeft kenmerkende syncopen en werkt als cadens-afsluiting:

Daarop begint het scherzo, een spel met virtuoze zestienden noten, aanvankelijk alleen in de violen en de altviolen:

Het lijkt een volkomen nieuw thema maar - hoe simpel en ingenieus - elk achttal zestienden is een variatie op het tetrachord:

Er ontstaat een briljante estafette van houtblazers en strijkers, een perpetuum mobile van steeds verkleurende zestienden motieven. Briljant gecomponeerd is de terugkeer van de wals, niet nŠ het scherzo, maar er mee overlappend. Als de wals de vlucht in het plezier verbeeldt komt het ware inzicht pas aan het eind van de wals als het motto-thema zich als een memento mori meldt in de kalrinetten en fagotten.

Deel 4. Finale. Andante maestoso. Allegro vivace (alla breve).
Het vierde deel begint met een langzame inleiding, een majestueuze herhaling van het motto-thema, nu in E-majeur:

Dan zet Allegro vivace het eigenlijke finale-thema in, dat natuurlijk afgeleid is van het motto-thema, maar zich niet meer beperkt tot een sext, maar verrijkt tot de omvang van een okraaf:

Dit eerste thema is van een overrompelende vitaliteit. Er volgen twee overgangs-thema's, waarvan het eerste zich meldt als een springerig dans-thema in de hobo:

Het is duidelijk gebaseerd op het hexachord, hier ter vergelijking in b-klein: 

                              

Maar, wat een weelde, er volgt nog een tweede overgangsthema, in canon gespeeld door hoge en lage strijkers en een variant van het finale-thema:

Dan komt het eigenlijke 2e thema, een lang uitgesponnen zangerige melodie:

Daarop meldt (doorwerking) het motto-thema zich, nu als een imposant maar ook beangstigend koraal voor de koperblazers in C-majeur. Er komen nog vele herhalingen van bekende thema's in doorwerking en reprise. Tsjaikofsky is absoluut breedsprakig en volgens sommigen te lang van stof. De symfonie eindigt in een hoogst geanimeerde sfeer. Het is een manische vreugde waarbij het lijden aan het leven of misschien wel de depressiviteit voor even ver weg lijkt.