E-mail interview met Ankie van der Bol voor Koorrespondent, het ledenblad van het Haagse Toonkunstkoor, Juni 2009.

In jouw muzikale loopbaan heb je ettelijke koren, ensembles en orkesten geleid. Een dirigentenbaan komt vacant omdat de dirigent opzegt of overlijdt. De aanstelling bij Toonkunst komt door dat laatste. Hoe heb je dat ervaren?

Het begon op dinsdagavond 30 september 2008 totaal onverwacht met het invallen voor mijn ernstig zieke collega Oane Wierdsma die aanvankelijk zelf het concert nog wilde dirigeren. Ik kwam de dag ervoor om 23.40 thuis van een orkestrepetitie. Cilia was nog op en zei dat het Haagse Toonkunst Koor per direct een invaller nodig had en zo spoedig mogelijk met mij wilde overleggen. De volgende morgen om 10 uur zaten Ria en Gerard bij mij thuis om alles te bespreken. We kenden elkaar niet maar we hebben elkaar die morgen en de weken er na snel als goede partners gevonden met een groot wederzijds vertrouwen. Het was goed om te ervaren hoe prudent en gevoelig Ria en Gerard (zij waren toen mijn voornaamste gesprekspartners) met de situatie omgingen.

Die avond ben ik voor het eerst afgereisd naar het Aloysius. De impact die de klus de weken daarna op mij had was veel groter dan ik me vooraf had gerealiseerd. Het was een menselijke tragedie waar ik als dirigent en volkomen buitenstaander plotseling midden in werd geplaatst. Het koor was zeer aangeslagen en zat erg onder zijn normale energieniveau. Dat kon ook niet anders. Aan mij de taak om die energiestroom weer op gang te brengen. Daarbij kon ik gezien de situatie op de repetities niet de vrolijke musicus zijn en mijn grappen ventileren.  

De ontwikkelingen zijn daarna allemaal zeer snel gegaan. Binnen een paar weken werd  het beeld van een tijdelijke inval-klus ingrijpend bijgesteld door het bericht dat Oane spoedig zou sterven. Mij werd gevraagd om het concert over te nemen. Omdat ik zowel Händel als Britten nog nooit had gedaan heb ik in korte tijd erg veel noten moeten leren. Maar vooral de emotionele druk van de omstandigheden was zwaar. Zeker toen Oane nog voor het concert overleed.

Ik heb toen Ria gemeld dat de familie Wierdsma bij de uitvaart op mij als dirigent kon rekenen als er gezongen zou worden. Natuurlijk had ik nooit kunnen vermoeden dat alle koren van Oane naar de dienst zouden komen. Toen ik aankwam bij de Domkerk in Utrecht stapte net een enorme groep van honderden zangers stapte uit de bussen. En daar sta je dan voor een grote massa mensen die je niet of nauwelijks kent met al die ernstige gezichten om Bach met ze te zingen. Gelukkig heb ik een ambachtelijk vak: je gaat gewoon je ding doen. Mijn praktische zorgen: waar precies in de dienst zit de koormuziek en is er een goede lessenaar/bok. En voor de korte voorrepetitie had ik maar twee doelstellingen: O Mensch bewein dein Sünde groß moest sprankelend en zuiver gezongen worden en iedereen moest emotioneel rustig blijven. Dat ook de tweede doelstelling werd gerealiseerd is een wonder. Want Wenn ich einmal soll scheiden, waarbij je het bij een mooie MP al moeilijk droog houdt, zal tijdens die uitvaartdienst velen door de ziel gesneden hebben.

Het Händel-Britten-concert in dezelfde week, op 2 november 2008 in de Grote Kerk in Den Haag, was nu een herdenkingsconcert voor Oane geworden. Dat is iets dat je maar beter niet van te voren kunt weten. Maar het leven gaat gewoon door en ik had die week een erg leuke repetitie in Amsterdam-Noord met het Promenade Orkest. En het concert was zeker niet alleen maar een treurige avond. De muziek was aan het woord en die was voor de pauze (Händel) stralend, plechtig en troostrijk, en na de pauze (Britten) vrolijk, licht van toets, komisch maar wat een ontroerend slot: de community singing van het prachtige koraal God moves in a mysterious way.

Vrij snel daarna hebben jullie mij gevraagd om Oane op te volgen. Wat mij op de paar besprekingen en vergaderingen die ik sindsdien bijwoonde erg getroffen heeft is de verantwoordelijkheid die het HTK neemt voor Nancy en haar kinderen.

Je trof een koor dat sterk verbonden was met Oane Wierdsma, die meer dan 25 jaar dirigent van Toonkunst was. Oane had jou vlak voor zijn overlijden zelf aan het bestuur aanbevolen. Geeft hij je hierdoor een ‘erfenis’ mee?

Ik hoor nu pas in je interviewvraag zo expliciet dat Oane mij vlak voor zijn overlijden als een mogelijke opvolger heeft aanbevolen. Dat vind ik natuurlijk leuk en mooi om te horen. Bijzonder dat hij vlak voor zijn dood kennelijk nog steeds bezig was met het welzijn van zijn koor. En zo hoort het ook: een koor is niet van jou maar het is net als je kinderen (Kahlil Gibran) aan je liefdevolle zorg toevertrouwd.

Oane was een dirigent-collega en we waren een aantal jaren collega-docenten aan het Hilversums Conservatorium. Ik kende hem niet goed als musicus. Dirigenten leiden een solistisch bestaan en gaan vanwege hun drukke agenda niet vaak naar elkaars concerten. Dat idee van een muzikale erfenis zie ik niet zo. Ik volg mijn eigen smaak, intuïties, voorkeuren en opvattingen. De muzikale erfenis van Oane is een uitstekend koor. Daar wil ik op mijn manier heel zorgvuldig en creatief mee omgaan.

Het najaarsconcert 2008 was deels door Oane ingestudeerd en deels door Martin. Hoe pak je als uitvoerend dirigent dit verder aan? Hun weg volgen of de jouwe - terwijl er amper tijd is jouw visie aan de koorleden over te brengen?

Als dirigent last minute invallen is altijd een hectische klus. Ik heb het vroeger veel gedaan maar het gebeurt nu nog maar zelden. Ik moest eerst in een tijdrovende inventarisatieronde van alle muziek te weten te komen hoe het er voor stond. Maar die tijd had ik niet. Ik ontdekte elke repetitie opnieuw angstige plekken met ongekende noten. Nu is het instuderen van koornoten voor elke ervaren dirigent een vaste ambachtelijke routine. Maar veel belangrijker dan het zingen van de juiste noten is het om die noten een muzikale betekenis te geven. Wat doen we met de noten? Kijk maar, er staat niet wat er staat. Daarin had ik aanvankelijk het master-slave probleem van elke invaller: je moet het doen in de geest van degene die je vervangt. Maar dit was anders. Ik heb Oane meteen toen ik voor het eerst was ingevallen een email gestuurd om hem te zeggen dat hij zich over het HTK geen zorgen moest maken, voor zichzelf moest kiezen en dat ik met hem meeleefde. Toch heb ik ook kort daarna nog een telefoongesprek met hem gevoerd over het hoe van de noten. Maar hij kon bijna niet praten en was zeer vermoeid. Ik had meteen spijt dat ik hem had gebeld. Toen eenmaal besloten was dat ik het concert zou dirigeren heb ik gewoon mijn eigen plan getrokken.

Wat trok je aan in de vaste aanstelling in Den Haag?

Na mijn vertrek bij Toonkunst Rotterdam had ik geen koor meer en ik werk graag met zangers en houd van het repertoire. Ik zie het HTK als een koor met mogelijkheden. Daar zal ik bij de volgende vraag nog wat meer over zeggen.

Het is voor mij erg belangrijk dat het HTK (bestuur en commissies) zo goed is georganiseerd. Want in de aanloop naar elk concert ben je als koorbestuur een klein evenementenbureau. De logistiek van een concert blijft niet beperkt tot een paar grote dingen maar bestaat vooral uit honderden kleine zaken die bij elk concert weer anders zijn en allemaal goed geregeld moeten worden. Vanuit mijn positie bezien: als die facilitaire zaken slecht of niet geregeld zijn kun je al snel als dirigent je werk niet meer naar behoren doen. Daarom was het goed om te ervaren dat bij Händel-Britten en recent alle Dido-repetities op locatie ruim van tevoren leden van de concertcommissie aanwezig waren en alles volgens het draaiboek werd of al lang was geregeld.

Verder is het HTK een warme groep mensen, er zijn geen kliekjes, iedereen praat met iedereen, het bestuur gedraagt zich naar jullie toe en jegens mij niet regentesk maar low profile: ik voel me er heel prettig bij. Het koor heeft een mooie repetitielocatie: akoestiek en werklicht zijn uitstekend, ik ga er met plezier naar toe. Menno is een goede collega die mij met zijn pianospel en commentaar erg steunt tijdens de repetities.

Wat zijn de sterke en wat de zwakke punten van ons koor?

Laat ik beginnen met een sterk element waar ik erg blij mee ben: er zijn veel goede stemmen in het koor, veel mensen hebben zangles en veel zangers zingen met hartstocht. Voor een dirigent is het doseren en kanaliseren van vocale hartstocht een veel beter uitgangspunt dan het bestrijden van een flegmatieke koelheid. Ik vraag veel liever: kan het daar wat minder, en daar ook, en ja, ook daar dan dat ik steeds moet vragen: kan het wat expressiever, kan het daar met wat meer hartstocht. Nu is het zo dat de individuele belevingswaarde van de amateurzanger niet vanzelfsprekend wordt overgedragen op de luisteraar. Om de ziel van de luisteraar te beroeren moet je een voortdurend een aantal muzikale ‘tools’ gecontroleerd gebruiken. Mijn taak is om jullie die aan te reiken en in te studeren. Want muziek maken op hoog niveau is maar zeer ten dele spontaan. Zelfs als het spontaan overkomt is het grotendeels gecalculeerd effect. Een mooi voorbeeld daarvan was het diminuendo dat we op het laatste moment nog even afspraken op de Hofvijver. Toen we diminuendo zongen tijdens de laatste maten van het slotkoor: and never, never, never part, and never, never, never, never part  waren velen geroerd.

De zwakke punten van het koor zou ik liever mondeling met jullie bespreken dan dat ze schriftelijk in de Koorrespondent worden afgedrukt. Op papier komen dingen nou eenmaal zwaarder over ook als het helemaal niet zo is bedoeld.  Maar ik zal er toch in algemene zin wat over zeggen. Muziek bestaat technisch gezien uit vier variabelen (naast vele kenmerken die daarvan af te leiden zijn):

- toonhoogte (de juiste noten zingen en altijd zuiver intoneren);

- ritme (timing van ritmische figuren en altijd in het juiste tempo)

- dynamiek (forte-piano, crescendo-decrescendo: verandering van dynamiek=expressie);

- klankkleur (klinkerarticulatie: de a-e-i-o-u / medeklinkerarticulatie: p, t, k, s), dat alles leidend tot een mooie tekstdeclamatie (dictie) van woorden en samenhangende zinnen met een betekenis.

Als je mijn repetities scant op aandacht voor deze vier variabelen zul je merken dat ze alle vier elke week voortdurend worden besproken, intensief worden geoefend en zo veel mogelijk worden verbeterd. Schilderen gaat over doek, verf , penseelstreek, vlakverdeling. Muziek gaat primair hier over. Op alle gebieden is winst te behalen. Ik zal geduldig en vasthoudend zijn.

Wat is je ambitie met Toonkunst? En hoe zal het koor erin slagen jouw ambitie waar te maken?

Het is leuk dat de vraag zo geformuleerd is, want het gaat hier om een belangrijk thema. Veel (jonge) dirigenten gebruiken een koor of een orkest als instrument om hun eigen ambities mee waar te maken. Om stukken aan hun repertoirelijst toe te voegen. Bijvoorbeeld door het Requiem van Verdi te programmeren en uit te voeren met een koor dat op het concert laat horen dat stuk niet naar behoren te kunnen zingen. Ik vind dat een onjuiste en onverantwoorde ambitie en ik zeg dat als koor&orkestpedagoog uit de grond van mijn hart. Ik kaats de bal graag terug: wat is jullie ambitie?

Nu is die niet eenvoudig te formuleren omdat je binnen elk groot oratoriumkoor zeer uiteenlopende individuele ambitieniveaus aantreft. Er is een groep mensen die eens per week recreatief komt zingen (en daar is niets mis mee) en daarnaast heb je dan vaak die gedreven minderheid die wekelijks zangles heeft, echt thuis z’n partij studeert en graag zou zien dat het instuderen veel vlugger gaat waardoor ook moeilijker repertoire in zicht komt. Nou is het is erg makkelijk om als koor, bestuur of dirigent te besluiten de ambities te verhogen en de lat veel hoger te leggen. Maar het probleem is natuurlijk het uitvoeren van de goede voornemens zoals verwoord in dat mooie aforisme:

‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap -  maar nu nog de werkwoorden’. Zoals sommige milieunormen van de overheid: een mooie doelstelling maar helaas, de doelstelling is onbereikbaar. Het enige wat wij (dirigent, bestuur en zangers) bij het HTK moeten vaststellen is wat onze gezamenlijke ambities zijn. Alleen ambities die muzikaal realistisch zijn en kunnen rekenen op een breed draagvlak kunnen uitgevoerd worden. Te hoge ambities zullen leiden tot een mission impossible. Als zangers verkrampen omdat ze oplopen tegen onneembare zangtechnische barrières of te moeilijke solfège wordt je het slachtoffer van je eigen ambities. Je moet vooral genieten van wat je hebt. Zie in dat verband ook: het Peter Principle (wikipedia).

Mijn ambitie voor de komende jaren is om alleen datgene te doen wat goed is voor een verdere geleidelijke ontwikkeling van het koor als geheel en tevens wat tevens goed is voor de individuele zangers: koorvorming, leren ensemble zingen (at random-opstelling, zingen in kleine groepjes), ontwikkelen van solfègevaardigheden, stemvorming, repertoireverbreding en bijna altijd: muziekplezier. Ik zie overigens voor mezelf als artistiek leider wel een taak weggelegd om het koor regelmatig uit te dagen tot het aangaan van grootse inspanningen om een geweldig stuk te kunnen uitvoeren. Bijvoorbeeld het War Requiem van Britten - ik weet dat het op de verlanglijst staat. Dat is een stuk met een moeilijke solfège dat een grote studeerinspanning vraagt van alle zangers. Britten wilde nadrukkelijk een koor without passengers.

 Ik had overigens in het Dido-project drie ambities: 1. weg met de ‘oratoriumkoorklank’ en zoveel mogelijk de transparantie van een kamerkoor; 2. de tekst bepaalt de expressie van de noten; en 3. geen concessies in de intonatie. Ik schrijf deze regels op de dag na een prachtige uitvoering en ik concludeer dat die ambities in hoge mate gerealiseerd zijn. Ik ben erg positief over de werkhouding die het koor tijdens de Dido-repetities heeft getoond. Het ging natuurlijk om weinig muziek en eenvoudige noten waar we héél veel tijd aan hebben besteed. Het moest vaak over maar omdat de muziek zo subliem is heb ik indruk dat iedereen toch op elke repetitie lekker gezongen heeft. Het was voor allen erg prettig dat het aan het eind van de rit de samenwerking met o.a. Belinda (Renate Arends, wat een mooie zangeres) en het professionele orkestje van barokspecialisten zo soepel verliep omdat er zoveel overeenstemming was over de stijlprincipes en de intonatie. Volledig gekende noten: alleen dan kun je volledig ontspannen en geconcentreerd zingen.

Mijn volgende barok-ambitie is om met de Matthäus-Passion hetzelfde resultaat te bereiken. Maar er zijn 100 keer zoveel noten die bovendien ook nog eens vocaal-technisch erg moeilijk zijn. Maak de borst maar nat! Ik zal bij de MP-voorbereiding net zo zijn als de hockey-trainer: wil de strafcorner er op de wedstrijd ingaan dan moet hij tijdens de trainingen honderden keren geoefend. En niet 9 keer er naast en dan tenslotte 1 keer er in, maar 9 van de 10 keer er in. Omdat er weinig koormuziek is van dat allerhoogste niveau moet het vooral een feest worden om er aan te werken.

Ambities. Ik vraag tijdens repetities mijn studenten-orkestmusici regelmatig: Zullen we het zo laten – en de naaste familie zal het prachtig vinden - of willen jullie een veel hoger niveau zodat ook de echte kenners het prachtig vinden? Zij kiezen altijd het laatste. Het sleutelwoord dat dan meestal niet genoemd wordt is commitment. Als je van het uitzicht in het hooggebergte wilt genieten moet je nou eenmaal bereid zijn te voet het moeizame en inspannende pad naar boven af te leggen. Er komen in de amateur-muziek geen grote beloningen zonder grote inspanningen. Omdat ik zo van muziek hou ben ik van plan vanuit dat inzicht zeer intensief met jullie te werken.   

Je hebt zelf aan het bestuur voorgesteld een studieweekend te beleggen (in de maand november, voorafgaand aan het najaarsconcert). Wat was je beweegreden en wat verwacht je ervan?

Als je de première van Mare Liberum van Roel van Oosten  met het Residentie Orkest mag doen ben je als amateurkoor aan de muzikale statuur van dat orkest verplicht om zorg te dragen voor een maximale voorbereiding. Bovendien werkt het HTK tot nu toe maar eens in de 100 jaar samen met het RO. Dan moet het die ene keer dus erg goed zijn. Een amateurkoor repeteert maar 1 keer per week. Dat is vergeleken met de professionals  een dodelijk ritme. Het leidt tot een enorme achterstand op een beroepsorkest dat per week 5 keer repeteert en daarnaast ’s avonds concerten geeft.  Zodra je ook maar 2 keer per week gaat repeteren komt alles in beweging zoals we in de laatste fase van Dido hebben gemerkt. Om die reden doet een weekend wonderen, met de kanttekening dat als je zondagmiddag de muzikale oogst wilt binnenhalen iedereen kapot is. Ik heb meteen bij mijn aantreden mijn weekendverlangen vriendelijk bij het bestuur neergelegd als artistieke wens en noodzaak. Leuke bijkomstigheid: een repetitieweekend heeft altijd ook een vrolijke sociale agenda.

Zijn er, tot slot, nog dingen die je graag kwijt wilt?

Laat iedereen een inspanning leveren om de tenoren en bassen structureel te versterken. En ook nog wat jonge meiden erbij. Er is nu momentum. Want eerst met het RO en daarna een MP met een prachtige solistencast is een topjaar! Maar de beste reclame is een goede uitvoering zoals we hadden op de Hofvijver.

Veel koorleden vragen me: wat gaan we na de MP doen. Alles wat ik tot nu toe met jullie deed en tot april 2010 zal doen lag al vast toen ik aantrad bij het HTK: het Händel-Britten-programma, Purcell’s Dido, Mare Liberum van Roel van Oosten in december 2009 en voorjaar 2010 de Matthäus-Passion. Pas daarna komen er programma's waar ik voor het eerst als programmeur medeverantwoordelijk voor zal zijn. Ik wil niet in de Koorrespondent vooruitlopen op wat nu nog onderwerp is van intern overleg. Mijn inzet is om met het HTK de komende jaren een aantal stilistisch zeer diverse en voor zangers en publiek uitdagende en spannende programma's te brengen. Daarbij is het goed te weten hoe ik over de diverse stijlperiodes gerelateerd aan het HTK denk:

18e eeuw: het koor vind het heerlijk om te zingen maar is eigenlijk te groot. Professionele begeleidingsorkesten (30 spelers) zijn klein en nog redelijk betaalbaar.

19e eeuw: voor sommige stukken is het mannenkoor te klein; professionele begeleidingsorkesten (50-80) zijn meestal groot en vrijwel onbetaalbaar.

20e eeuw: er is veel geweldige koormuziek, de solfège is vaak moeilijk, komt er publiek?, professionele begeleidingsorkesten (50-80) zijn vaak groot en onbetaalbaar.

Maar misschien kunnen we dat ondervangen door een samenwerking met een mijn orkesten aan te gaan. Maar het hoeft niet altijd met symfonieorkest. Er is ook een  prachtig programma denkbaar voor koor en orgel of voor koor en 1-2 piano(s).

Wij werken nu in 2009 nauw samen met 2 Haagse instellingen: Festival Classique en het Residentie Orkest. Ik hoop mijn bijdrage te leveren aan het onderhouden en het uitbouwen van voor het koor belangrijke contacten met het Haagse muziekleven. En als jullie het theatrale aspect van Dido leuk vonden: ik zal zeker onderzoeken wat de kansen en mogelijkheden zijn voor (semi-)scènische uitvoeringen in de toekomst.