Interview (januari 2013) in de Koorrespondent, het Ledenblad van het Haagse Toonkunstkoor.

Nu dirigent, voorheen hoboïst

Dat Daan hoboïst was voordat hij aan het dirigeren is geslagen, wisten de meesten van
ons wel, maar hoe is zijn liefde voor de hobo ontstaan en wat heeft hij met en dankzij de hobo
allemaal meegemaakt? Daan vertelt…

1. Wat is het eerste muziekinstrument dat je (als kind) bent gaan spelen?

Mijn moeder was meester van Het Nederlandse Pijpersgilde, een club waarvan de leden
zelf bamboefluiten maakten en bespeelden. Ze gaf bamboefluitles aan huis. Ik sloot aan bij
een groepje en maakte mijn eerste bamboefluit op mijn vijfde. Dat was van grote vormende
waarde. Je begint met een iets te lange bamboebuis. Als het mondstuk klaar is en je een toon
kunt aanblazen die dan iets te laag is, moet je net zo lang een ringetje van de fluit afzagen tot
die een zuivere d produceert. Daarna volgen de vingergaten. Die moet je net zo lang met een
vijl groter maken tot je respectievelijk een zuivere e-fis-g-a-b-cis hebt. Een geweldige gehoor
training. Het was mijn eerste kennismaking met het blazen.

Maar van grote invloed is ook mijn moeders pianospel geweest. Ze was pianiste en had bij
Gerard Hengeveld gestudeerd. In diezelfde tijd studeerde zij 's avonds haar programma in
voor wat wij nu een masterclass noemen, die Willem Andriessen in Eindhoven gaf. Ik lag dan
nog wakker in bed te luisteren naar de etude in As op.25 nr.1 van Chopin tot ik insliep. Dat
behoort tot mijn meest gelukzalige muzikale jeugdherinneringen.

2. Wanneer ben je begonnen met hobo spelen, en hoe ben je daartoe gekomen? En in het
verlengde daarvan: wat maakt de hobo voor jou zo'n bijzonder instrument?

Op mijn tiende draaiden mijn ouders een Philips 45 toeren-grammofoonplaat met de Sinfonia
in Bes op.18 nr.2 van Johann Christian Bach, een van de beroemde Bachzonen, de Londense
Bach en een van de vaders van de Mozart-stijl. Het tweede deel heeft een mooie hobosolo en
het hobospel van Haakon Stotijn trof me in mijn ziel: dat wilde ik, en ik heb twee jaar gezeurd
of ik hobo mocht spelen. De hobotoon heeft een combinatie van indringende nasaliteit en
het vermogen tot tederheid, bitter en süss zoals het heet in de Matthäus-Passion. Richard
Strauss noemde de hobo kuis (daar ben ik het mee eens) en dat verhevene heeft me ook in
de hobo aangetrokken. Het is bij sommige hobonoten in het klassieke en vroeg-romantische
orkestrepertoire of er zon gaat schijnen in de duisternis.

3. In vervolg daarop ben je naar het conservatorium gegaan, als hoboïst. Kan je ons iets
over die tijd vertellen?

Het was in 1968, de roerige periode van de studentenrevolte, de bezetting van het
Maagdenhuis; ik heb het op straat meegemaakt. Rots in de branding was mijn hoboleraar,
Cees van der Kraan. Hij heeft me als een strenge tweede vader voornamelijk bij hem thuis
opgeleid. Het conservatorium was toen organisatorisch een chaos en in vele opzichten voor
mij een grote teleurstelling: zo had ik na twee maanden nog geen rooster voor de bijvakken.
Wat me vooral ook tegenviel, was het gebrek aan bevlogenheid bij veel medestudenten. Zo
speelde na vele orkestrepetities een klarinettist in de 6de symfonie van Schubert nog steeds
dezelfde verkeerde noten.
Je had toen in Amsterdam twee conservatoria: het Muzieklyceum met een uitstekende
strijkersklas (Herman Krebbers, Davina van Wely, Tibor de Machula gaven er les), en het
Amsterdamsch Conservatorium met uitstekende blazersdocenten. Er waren dus ook twee
conservatorium-orkesten, een met te weinig goede blazers en een met te weinig goede
strijkers. De fusiebesprekingen tussen beide instituten waren één grote stagnatie. Een klein
groepje leerlingen (en ik was daarbij) heeft toen een nieuw orkest opgericht, het ALPHO,
het Alternatief Leerlingen Philharmonisch Orkest. We hebben een weekend in Brabant
gerepeteerd en hadden het Concertgebouw afgehuurd. Het nieuwe orkest is na een concert
olv. Joop van Zon en Hans Vonk aan beide besturen aangeboden. Die moesten na afloop wel
over hun onenigheid heen stappen. Ze hebben het in dank hebben aanvaard. De fusie van
beide conservatoria is een paar jaar later een feit geworden.

4. Je hebt als hoboïst ook nog in orkesten gespeeld. Welke? Hoe heb je die orkesttijd
ervaren?

Ik werd als vierdejaars conservatoriumstudent eerste hoboïst in Het Gelders Orkest. Een
mooie positie in een mooi orkest. Ik was toen 22 jaar en heb daar drie goede seizoenen
gespeeld. Mijn buurman vroeg me na drie weken: ‘Hoe lang moet jij nog?’ Ik ‘moest’ nog
43 jaar, hij nog maar 24. Het was een erg druk orkest, ik speelde 120 concerten per jaar en
studeerde nog voor de Prix d'Excellence in Amsterdam. In het derde seizoen heb ik een halve
baan aangevraagd om ruimte te hebben voor andere muzikale activiteiten. Bestuur en dirigent
vonden het goed, maar de helft van de collega's vond het niet te verteren, terwijl zoiets nu
normaal is. Een trombonist zei me in die periode: 'En jij zeker naar de wintersport terwijl wij
moeten spelen'. Mijn antwoord dat ik meer dan de helft van mijn inkomen ging inleveren had
op zijn denken geen invloed. Ik heb mijn ontslag genomen, ben weer in Amsterdam gaan
wonen en heb nog jaren als freelance hoboïst bij de grote Randstad-orkesten gespeeld.

5. Speel je nu nog wel eens hobo? Zo ja, alleen of samen met anderen?

Ik heb voor de hobo geen tijd meer. Ik vind het soms wel jammer dat mijn kinderen iets wat
ik zo goed kon en dat mijn leven zo lang bepaalde, niet hebben gehoord. Mocht er al een
gevoel van gemis zijn, dan wordt dit volledig gecompenseerd door de grote voldoening van
mijn werk als dirigent. Niet meer alleen verantwoordelijk voor die ene partij, maar voor de
hele partituur.

6. Welke instrumenten lenen zich goed voor het samenspel met de hobo?

De menselijke stem, zoals Bach dat als geen ander wist, strijkers, andere blazers en dan vooral
houtblazers en hoorns, zoals in een blaaskwintet. Hobo en orgel is ook een mooie combinatie
zoals in de hobosonates van Händel. Een hobosolo in orkestwerken tegen een achtergrond van
bijvoorbeeld strijkers is heerlijk om te spelen.

7. Welke hobomuziek (solo of in samenspel) kan je ons aanraden om te beluisteren?

Ik vind dat Bach in zijn cantates en oratoria misschien wel de mooiste hobomuziek ooit
heeft geschreven. Zowel qua diepzinnigheid als door de enorme omvang schreef Bach een
grandioos hobo-oeuvre. De onderliggende tekstuele betekenis geeft de hobopartijen altijd
een extra dimensie. Bach heeft ook een enorme schat aan composities voor oboe d'amore
(het mezzo-instrument) en oboe da caccia (de althobo) nagelaten. In het solorepertoire is
het dubbelconcert van Bach (viool-hobo) is een heerlijk stuk, net als het gereconstrueerde
oboe d'amore-concert, maar er is in de hele laat-barok veel mooie hobomuziek geschreven,
ook door kleine meesters. Het is jammer dat Händel (Messiah!) als instrumentator zo weinig
fantasievol met de hobo omgaat: twee hobo's verdubbelen overwegend de eerste violen. Er
is helaas maar weinig kamermuziek van topkwaliteit uit latere stijlperiodes. Het hobokwartet
van Mozart, de blazersensemblestukken van Mozart (luister vooral de serenade in c en naar
de Gran Partita, een begenadigd topstuk). De Romances van Schumann zijn een eenzaam
romantisch hoogtepunt. Een favoriet romantisch ensemblestuk met geweldige hobopartijen:
de blazersserenade van Dvorak, warmbloedig geaard in de Boheemse bodem. Ik heb geen
shortlist van de beste orkestfragmenten, alleen maar een longlist.