Ad Valvas, november 2008
 
Ad Valvas is het weekblad van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). Het is het enige overkoepelende persmedium dat op de universiteit verschijnt voor studenten en personeel samen
 
Verslag van een VU-Orkest repetitie, 29 oktober 2008, door Anita Mussche.
“Zullen we even stemmen?” De strakke toon van de hoboïste geeft onmiddellijk een concertzaalgevoel, ook al zitten de orkestleden met hun stoelen verspreid tussen de rekwisieten van de lopende theatervoorstelling in de Griffioenzaal. Het VU-Orkest repeteert vandaag voor de derde keer het Frans-Spaanse programma dat het eind februari uit gaat voeren. Temperamentvolle muziek: Bizet, De Falla, Dukas, Milhaud.
Bijna tachtig studenten bevolken dit orkest, een mengeling van stevige amateurmusici en semi-professionele conservatoriumstudenten. De eerste indruk is dan ook vooral ‘jong’, en levendig. En aan het begin van de repetitie nog niet zo erg gedisciplineerd. Dirigent Daan Admiraal zet er daarom meteen de sokken in met Scaramouche van Milhaud: “Ik geef drie en vier en dan spelen we.” Het gelach en geklets neemt af. Men rommelt nog snel met bladmuziek, mondstukken en strijkstokken. Admiraal dirigeert zonder stokje, knippend met zijn vingers als het niet precies genoeg gaat, klappend als het tempo inzakt. Slagtechnisch is dit programma een uitdaging voor elke dirigent, vindt hij, door alle complexe maat- en tempowisselingen. “Snelheid in die zestienden”, roept Admiraal, en “nee, het ritme van de rumba is één tsjak tsjak twee tsjak tsjak drie tsjak."
Hoewel nog niet allemaal ervaren in de rumba weten deze jonge musici van wanten. Ephraim Feves, violist sinds zijn vierde, speelt nu vijf jaar bij het orkest. “Voor een amateurorkest hebben we echt een hoog niveau”, weet hij. Een kwestie van hard werken, weten de orkestleden. Dat is te zien in de Griffioenzaal, waar Admiraal de strijkers en blazers telkens vraagt het nog eens te proberen. Hij beschrijft de klank die hij zoekt, hoe die strijkstok moet stuiteren, waar je wel of niet moet ademen. “Het is niet pakkedakkedangdang maar tukkedukkedundun”, legt hij uit aan de violisten, die er niet raar van opkijken. De musici roemen zijn aanpak: “De dirigent maakt het orkest bijzonder”, zegt Feves, “Daan weet met anecdotes, beeldspraak en humor precies duidelijk te maken wat hij bedoelt”. Daar is clarinettist Bas van der Sterren het helemaal mee eens. Als conservatoriumstudent is hij niet zenuwachtig voor zijn solo’s. ‘Gezellig en lekker ontspannen’, noemt hij het orkest. Hoboïste Jacqueline Janse kijkt hem met grote ogen aan. Ze speelt hier pas sinds september: “Ontspannen? Ik vind het echt vet moeilijk! Er worden hier wel eisen aan je gesteld.” Dat bevestigt hun dirigent: “Voor de noten bezield kunnen worden moet je ze wel kennen. Als je echt goed wilt spelen moet je daar hard voor werken. Tijdens de repetities werken we alle muzikale ongerechtigheden weg.” Goed voor de motivatie, vindt violiste Marthe Becker: “In elk stuk zitten wel moeilijke dingen, maar daardoor krijg je juist zin om er tijd in te steken.” “Hij haalt echt het beste uit ons”, prijst Janse.
De liefde is geheel wederzijds. Hoe lekkerder het loopt, hoe breder de grijns op Admiraals gezicht. “Wat me erg aanspreekt en vaak ontroert is de onbevangenheid en de ontvankelijkheid van deze jonge mensen voor muzikale schoonheid”, zegt hij later. “En die levenslust en jeugdige vrolijkheid! Er wordt tijdens repetities veel gelachen.”
Het resultaat is ernaar. Naarmate de avond vordert, swingt het steeds meer in de Griffioenzaal. Dit is kleurrijke, ritmische, vitale, aanstekelijke muziek, vindt Admiraal, en moeilijk om bij stil te blijven zitten. Zelf kan hij in ieder geval niet stil bij blijven staan, als het orkest de tanden zet in de lastige Spaanse ritmes van Bizet’s Carmen en De driekanten steek van De Falla. De Tovenaarsleerling van Dukas klinkt erg bekend. “Uit de Disneyfilm Fantasia”, weten de studenten. En Scaramouche? Dat mag vooral niet te klassiek lijken, vindt de dirigent: “Dit is geen Brahms! Dit moet met energie, niet met diep gevoel. Dit is lichte muziek. Kan het iets grappiger?”